Stomen van Kracht

De Wapenrusting

DE WAPENRUSTING GODS

door KAREL HOEKENDIJK

wapenrusting“Voorts, weest krachtig in den Here en in de sterkte Zijner macht. Doet de wapenrusting Gods aan, om te kunnen standhouden tegen de verleidingen des duivels, want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten. Neemt daarom de wapenrusting Gods, om weerstand te kunnen bieden in den bozen dag en om, uw taak geheel vervuld hebbende, stand te houden. Stelt u dan op, uw lendenen omgord met de waarheid, bekleed met het pantser der gerechtigheid, de voeten geschoeid met de bereidvaardigheid van het evangelie des vredes; neemt bij dit alles het schild des geloofs ter hand, waarmede gij al de brandende pijlen van den boze zult kunnen doven; en neemt den helm des heils aan en het zwaard des Geestes, dat is het Woord van God. En bidt daarbij met aanhoudend bidden en smeken bij elke gelegenheid in den Geest, daartoe wakende met alle volharding en smeking voor alle heiligen; ook voor mij.” (Efeze 6 : 10-18)

INLEIDING

In deze brief aan de gemeente te Efeze wijst Paulus op haar hoge verantwoordelijkheid, haar bijzondere plaats in Gods plan. Zij is geroepen tot overwinnend leven in haar opgestane Heer en Heiland Jezus Christus, overwinnend leven in de geestelijke strijd tegen de onzichtbare, oprukkende machten van Satan, die haar op haar weg tot volmaking voortdurend tegenstaan. Want er is een vreselijke strijd rondom ons gaande op vele fronten, een verschrikkelijk offensief is losgebrand tegen Gods kinderen, een strijd die in hevigheid toeneemt naarmate de eindtijd vordert. Ieder van ons is in deze eindstrijd persoonlijk betrokken, aan niemand gaat deze kamp ongemerkt voorbij. Het is daarom noodzakelijk dat wij ons op deze. strijd ernstig bezinnen, de vijand kennen en ook onszelf in Jezus Christus dat wij de wapenen bezitten en deze krachtig weten te hanteren. Wij zijn gelukkig zeker van Gods hulp. “Ons staat een sterke Held terzij, die God ons heeft verkoren.” Paulus schreef deze brief aan de Efeziërs vanuit zijn gevangenschap, evenals de brieven aan de Philippenzen, Colossenzen en Timotheüs. De apostel heeft terwille van de Naam van Jezus Christus veel geleden, menig jaar bracht hij in gevangenissen door, hij noemt in de lange lijst van doorgestane beproevingen (11 Cor. 11: 23) ook de gevangenschap,“in gevangenschap veel vaker.” Paulus werd meermalen in een kerker opgesloten, zoals eens met Silas in Philippi, waar zij hun voeten “zorgvuldig in het blok” sloten (Hand. 16: 24).

Latere jaren, in Rome, had hij meer bewegingsvrijheid, maar werd voortdurend door soldaten van het Romeinse leger omgeven en bewaakt. Omringd door deze krijgsknechten, die een groot deel van de toenmaals bekende wereld hadden bezet, hoorde Paulus steeds spreken van strijd, van succesvolle wapenfeiten, moedige veroveringsacties waar vaak veel bloed vloeide, van overwinningen op vijandelijke legers, snoevende verhalen over persoonlijke prestaties, van mankracht tegen mankracht, over roof, buit en brandschatting, allerhande zaken van “vlees en bloed”; de gesprekstof werd dagelijks geput uit materiële, fysieke strijd. Dat was de gedachtenwereld van deze heidense soldaten, daarmee was hun leven vervuld. Onvrijwillig moet Paulus deze verhalen vol krijgsrumoer aanhoren, hij wordt er geregeld mee geconfronteerd. Hij zag in zijn gevangenis natuurlijk allerlei uitrustingsstukken rondslingeren, daar lag een pijlkoker, een zwaard, een helm, een pantser, een schild … Als Paulus aan zijn verspreide gemeenten denkt en hen door zijn brieven wil opbouwen, troosten of vermanen, dan is het begrijpelijk dat hij over strijd en uitrustingsstukken schrijft.

Hij wil aantonen, dat het allerminst een fysieke, materiële strijd is die de kerk van Christus heeft te voeren doch een geestelijke strijd. Geïnspireerd door Gods Geest geeft de apostel zijn visie hierop, wijst de duistere, demonische, vijandelijke machten aan en de wapens die hiertegen gebruikt dienen te worden. Vastberaden, vreesloos dient front te worden gemaakt tegen deze onzichtbare, maar zeer reële vijand en moet worden opgetreden. “krachtig in den Heer en in de sterkte Zijner macht.” In Hem zijn wij meer dan overwinnaars. Halleluja!

DE KRACHT   

Krachtig in de Heer

Het weinig verkwikkelijke beeld dat heden ten dage getoond wordt door de gemeente van Christus, is niet dat van kracht en overwinning, waartoe zij toch van Christuswege geroepen is. Er is zoveel bewegingloosheid, ongeloof, apathie, wereldsgezindheid. Dit is haar schande. Paulus roept: “weest krachtig!” Niet in onszelf, doch ,wees krachtig in den Here. Zoeken wij onze kracht in Hém? Theoretiseren en filosoferen brengt geen krachtmanifestaties voort, déze kracht ontvangt men alleen door de Heilige Geest. “maar gij zult kracht ontvangen, wanneer de Heilige Geest over u komt” (Hand. 1 : 8).

Krachtig zijn in de Heer is: vervuld te zijn met Gods Geest, de persoonlijke pinksterervaring geeft ons deze kracht. Geen wijsheid van mensen, goede werken, heiligmaking, geen kerkorde biedt ook maar een enkele garantie voor het bezit van de Heilige Geest. Het is niets minder dan dit: Christus neemt mijn ganse wezen gevangen door het te vullen met Zichzelf; Zijn persoonlijkheid wordt levend in mij; denkt, spreekt, handelt en door mij; mijn oude leven van denken, spreken en handelen raakt op de achtergrond en verdwijnt, het oude is voorbij en zie nu hoe het alles is nieuw geworden; daarvoor in de plaats komt een ander leven, een hoger leven, door deze inwoning van de Heilige Geest. Het is een wonderbare en onvergelijkelijke ervaring, dit pinkstervuur brengt kracht en overwinning in mijn leven, als nimmer tevoren.

Mozes, in zijn jeugd, had eenmaal vanuit zijn ongeduld en verontwaardiging zichzelf als verlosser uitgeroepen van de verdrukte Israëlieten in Egypte, hij poogde met fysieke kracht het probleem op te lossen en sloeg er onbeheerst, teugelloos met zijn vuisten op los, een moordenaar werd hij, die het lot van zijn volk verzwaarde inplaats van te verlichten. Later, ouder geworden, stiller geworden, bescheidener, niet meer zo ambitieus als in zijn jeugd, zendt God hem uit vanuit Zijn kracht. Niet vanuit de vurigheid van Mozes’ temperament, maar vanuit het vuur van het brandende braambos, het vuur van pinksteren, zendt God hem als verlosser naar de Israëlieten. Zijn leiderschap is dan anders dan voorheen, hij is vrij gekomen van eigen willen en werken en staat in Gods wil, daardoor is hij geschikt geworden om zijn volk in de vrijheid te leiden.

Paulus zet dit gedeelte van de Efeze-brief in krachtige, manlijke woorden in en over de hoofden van zijn gemeenteleden spreekt hij thans u en mij in deze forse taal toe. “Voorts, weest krachtig in den Heer en in de sterkte Zijner macht” (Ef. 6: 10). Jesaja zegt: “Sterkt de slappe handen en verstevigt de knikkende knieën Zegt tot de versaagden van hart: Weest sterk, vreest niet!” (Jesaja 35 : 3, 4). Weest krachtig in de Heer! “Welzalig de mensen wier sterkte in U is” (ps. 84 : 6), “zij gaan voort van kracht tot kracht” (Ps. 84: 8). Dit is geen vage suggestie, maar een gebiedende eis van God; sta in de sterkte van God, Zijn macht! Wij dienen niet te putten uit ónze beperkte mogelijkheden, maar uit Zijn mogelijkheden, niet aanhaken aan ónze beperkte kracht, maar aanhaken aan Zijn mateloze kracht. Wij kunnen in deze kracht onze sterkte vinden, wij kunnen immers over zoveel energie beschikken als waarover de elektrische centrale beschikt, indien wij een goede verbinding met deze krachtbron hebben. Ik heb zoveel kracht als Jezus aan kracht heeft, als Jezus kracht is. Ik ben zo sterk als in de sterkte Zijner macht, Niet meer, niet minder. Ik schakel slechts in en ik kan over zoveel kracht beschikken als er in Jezus is, Zijn kracht is mijn kracht. Schakel de geweldige krachten in van het Koninkrijk en deze krachten gaan u helpen, dienen, dragen. Wanneer ik door mijn overgave aan Jezus één ben geworden met Hem, de Heer der schepping, dan mag ik ook vrijelijk beschikken over de grote krachten, die in Hem zijn en in Zijn schepping.

Wij moeten leren worden die wij zijn in Christus en ons toe eigenen wat ons door Hem bereid is. “Opdat de God van onze Heer Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve de Geest van wijsheid en van openbaring om Hem recht te kennen: verlichte ogen uws harten, zodat gij weet, welke hoop Zijn roeping wekt, hoe rijk de heerlijkheid is Zijner erfenis bij de heiligen, en hoe overweldigend groot Zijn kracht is aan ons, die geloven, naar de werking van de sterkte Zijner macht, die Hij heeft gewrocht in Christus, door Hem uit de doden op te wekken en Hem te zetten aan Zijn rechterhand in de hemelse gewesten, boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en allen naam, die genoemd wordt niet alleen in deze, maar ook in de toekomende eeuw” (Ef. 1 : 17 -21 ). Deze kracht is ons vooral gegeven om te worden gebruikt in de strijd tegen de machten van Satan. Het is voldoende. In de Philippenzenbrief schrijft Paulus: “Ik vermag alle dingen in Hem, die mij kracht geeft!” (Philip. 4: 13).

De wapenrusting Gods

Nadat Paulus de voorwaarde genoemd heeft om “krachtig in de Heer” te zijn, “in de sterkte Zijner macht”, wijst hij direct de weg daartoe, het middel: de wapenrusting Gods. ,,Doet de wapenrusting Gods aan, om te kunnen standhouden.,” (Ef. 6:11). Even later heraalt hij dit: “Neemt daarom de wapenrusting Gods” (vers 13). Naast al onze feilbare middelen en menselijke pogingen wordt hier gewezen op de volkomenheid van deze wapenrusting, omdat dit de wapenrusting Gods is. Paulus ziet het nut, de noodzaak van deze wapenrusting door persoonlijke ervaring. Hij heeft het falen gezien van andere wapenrustingen en geleerd zijn vertrouwen te stellen in de Goddelijke wapenrusting tegen de vijanden van God, die ook onze vijanden zijn, tegen alle anti-christelijke boosheden in de lucht, heel de weermacht der duisternis, die de god dezer eeuw tegen het Koninkrijk Gods inzet. Hoe kan ik mij een wapenrusting Gods verschaffen? Door goede werken, door aan mijn religieuze plichten te voldoen, de weg der heiligmaking? Neen, zo ontvangt men het niet. Men kan deze wapenrusting alleen ontvangen uit genade, op grond van het volbrachte zoenoffer van Jezus Christus, het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt, en door de vervulling met de Heilige Geest, de volle pinksterzegen.

Men ontvangt dit alles in GELOOF. Het is noodzakelijk eerst de waardeloze bordpapieren wapenrusting van eigen gevormde levensbeschouwing in te leveren, de wapenrusting – en wat daarvoor gehouden wordt – van ethiek, religiositeit, goede werken, zedeleer, heel dit synthetisch opgebouwde geestelijke leven. Dit alles zal niets blijken te zijn: stro, hooi en stoppelen in het brandende geweld van de grote eindstrijd, dit alles biedt onvoldoende bescherming. Eigen gevonden bedenksels en redeneringen dienen wij “als krijgsgevangene te brengen onder de gehoorzaamheid aan Christus.” “Want al leven wij in het vlees, wij trekken niet ten strijde naar het vlees, want de wapenen van onzen veldtocht zijn niet vleselijk, maar krachtig voor God tot het slechten van bolwerken, zodat wij de redeneringen en elke schans, die opgeworpen wordt tegen de kennis van God, slechten, elk bedenksel als krijgsgevangene brengen onder de gehoorzaamheid aan Christus, en gereed staan, zodra uw gehoorzaamheid volkomen is, alle ongehoorzaamheid te straffen” (11 Cor. 10 :3-6). De wapenrusting van de volheid des Heiligen Geestes is volkomener dan de meest geperfectioneerde menselijke wapenrusting, die in alle opzichten in deze geestelijke strijd teleurstelt. Men had David Sauls wapenrusting aangegespt, de koninklijke wapenrusting, die vervaardigd was uit het sterkste staal en hardste koper, het allerbeste product van de kundigste wapensmid des lands, omdat het leven van de koning daarmede beschermd moest worden. Maar het werd door David afgekeurd, hij kon er zich niet in bewegen, zijn vrijheid was belemmerd, hij was reeds een gevangene alvorens hij ten strijde trok. De vrijheid van de Geest ervaart menselijke organisaties en vormen als begrenzingen, afsluitingen, Hij blaast, souverein, waarheen Hij wil. Neen, het allerbeste en allerfraaiste wapen der mensen bleek onvoldoende te zijn tegen de reus Goliath. David deed de wapenrusting van Saul uit en ging in de wapenrusting Gods ten strijde, in de kracht van Hem die hem zalfde tot Zijn dienaar. Dáármede, in de wapenrusting Gods, versloeg hij de vijand van zijn volk. Uiterlijk leek hij naakt, zonder bescherming, uit te trekken, maar hij had de wapenrusting Gods aan en dit werd openbaardoor de resultaten. Hij toonde zijn geloof uit de reslutaten, de werken. “Toon mij dan uw geloof zonder de werken (resultaten) en ik zal u mijn geloof tonen uit mijn werken” (Jac. 2 : 18). Deze strijd tussen David en Goliath is het beeld van de strijd van de gemeente, de gezalfde des Heren, die de reus Satan verslaat in de wapenrusting Gods. Eerst moet de wapenrusting van verstand, gevoel, geestelijke ervaringen en eigen inzichten uittrekken, om daarna in de kracht van Pinksteren de overwinning te behalen, in Gods wapenrusting. Paulus zegt: “Doet de wapenrusting Gods aan, om te kunnen standhouden” (Ef. 6: 11).

Een ideale wapenrusting    

De wapenrusting moet terdege gesloten zijn, afgesloten naar de wereld, geen enkele naad of opening, hoe klein ook, mag hieraan te vinden zijn. De vijand, Satan, zal deze zwakke plekken van veronachtzaming, vervlakking, slordigheid, verdeeldheid, vrees, precies weten te vinden en zijn brandende pijlen daardoor doen binnendringen. Hij kent al onze zwakheden en zal u daarin treffen. De vijand is als een gewiekste handelaar op de veemarkt, hij loopt éénmaal om een koe heen en weet dan al haar gebreken, zijn geoefende blik heeft in een ogenblik de waarde van het dier precies getaxeerd. Satan heeft meer dan 6000 jaar psychologie gestudeerd en kent de mens, als enkeling en als massa, precies.

God zei tot Noach bij het bouwen van de ark: “Gij zult haar van binnen en van buiten met pek bestrijken” (Gen. 6: 14). Hij zei dit opdat alle eventuele spleten en openingen in het goferhout van de ark met zekerheid toegesloten zouden zijn, opdat in de volkomen waterdichte ark nergens de gerichten en oordelen Gods binnen konden dringen. De bewoners van de ark des behouds, mens en dier, moesten gevrijwaard blijven tegen de toorn Gods. Als u volkomen gedekt zijt door het Bloed van Jezus, zal het oordeel van het Oude Testament, de bliksem van de Sinaï, de wet van Ex. 20, u niet treffen, want het nieuwe Verbond in Zijn Bloed (Luk. 22: 20) heeft ons vrijgemaakt van het oude Verbond van de wet. “Als hij spreekt van een nieuw Verbond, heeft Hij daarmede het eerste voor verouderd verklaard” (Hebr. 8 : 13). Door de bestrijking van het bloed aan de bovendorpel en de beide zijposten van onze deuren, ons huis, ons hart, zal de engel des verderfs voorbij gaan. Dit is het “bepekken” van ons behouden huis, ons hart, “van binnen en van buiten”. Dan zullen wij ook niet getroffen worden door de gerichten van de laatste dagen: “bloed en vuur en rookzuilen” (atoombommen?) (Joël 2 : 30), maar veilig achter het Bloed des Lams schuilen (Rom. 8: 35). Het Bloed des Lams behoudt en overwint (Openb. 12 : 11).

Onze wapenrusting behoort “waterdicht” te zijn, bepekt met pek, bestreken met bloed, voor alle indringingspogingen van Satan gesloten, geen enkele kans wordt de listige verderver gegeven om te verwonden en te vernietigen. Paulus ziet de volmaakte wapenrusting in van: waarheid, gerechtigheid, geloof en heil, tegenover de vijandelijke attributen. In deze geestelijke en persoonlijke strijd zal deze de zege brengen. “De vijand rukt vast aan, met opgestoken vaan; hij draagt zijn rusting nog, van gruwel en bedrog, maar zal als kaf verdwijnen!” (Lutherlied). Tegenover gruwel en bedrog wordt Gods waarheid, gerechtigheid, geloof en heil gesteld en dat voert tot overwinning. Wanneer in de eindtijd – en wij leven reeds in de eindtijd – de duisternis opdringt, de macht van Satan steeds meer tot openbaarheid komt, zullen velen bemerken dat hun wapenrusting niet de juiste is en afdoende, deze ontdekking is dan te laat en fataal. “Doet de wapenrusting Gods aan, om te kunnen standhouden tegen de verleidingen des duivels” (Ef. 6 : 11).

Wanneer de Bijbel een volkomen door God gegeven middel geeft om stand te kunnen houden, dan is het de waarheid en hebben wij geen reden of recht om dit te betwijfelen, te vergeestelijken of te interpreteren naar eigen smaak. Wij mogen en moeten de Bijbel lezen gewoon zoals het er staat. Als lees wat er staat en geloof wat er staat, ontvang ik ook wat er staat, “Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt” (Joh. 7 : 37). Schriftuurlijk geloven, bijbels handelen. Het geheim van de wapenrusting Gods is de vervulling met de Heilige Geest. Jezus in mij. Hij woont, Hij blijft in mij. “Blijft in mij, gelijk Ik in u” zegt Jezus in Joh. 15 : 4. Hij woont met Zijn Geest in mij, Hij “blijft bij u en zal in u zijn” (Joh. 14: 17). “Te dien dage zult gij weten, dat Ik in mijn Vader ben en gij in Mij en Ik in u”, zegt Jezus verder in Joh. 14: 20. Paulus zegt: “Met Christus ben ik gekruisigd en toch leef ik, dat is niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij” (Gal. 2: 20). De vervulling geeft een nieuwe dimensie aan mijn geloof, de derde dimensie. De eerste dimensie is: Jezus MET mij! De tweede dimensie is: Jezus BOVEN mij! Gezeten met Zijn Vader in de troon, van waar Hij komen, terugkomen, zal, om te oordelen de levenden en de doden. De derde dimensie is: Jezus IN mij! De inwoning van Hem in mijn hart. Hij existeert in mij. Hij leeft Zijn leven in mij. Hij ademt, denkt, spreekt, handelt in mij door Zijn inwonende Geest. Jezus zegt: “Ik leef en gij zult leven” (Joh. 14: 19). Ik leef en daarom zult gij leven! Ik leef en daaruit zult gij leven! Zoveel leven er in Mij is, zal in u worden gevonden! Zo lang Ik leef, zult gij leven! “Ik ben het levende brood, dat uit den hemel nedergedaald is. Indien iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven” (Joh. 6 : 51). “Te dien dage zult gij weten, dat Ik in mijn Vader ben en gij in Mij en Ik in u” (Joh. 14: 20).

Wat dunkt u, is de inwonende Christus Overwinnaar? Natuurlijk, dat is Hij! Doordat ik mij aan Christus overgaf, mij weggaf aan Hem, mijzelf met Hem kruisigen liet en met Hem onderging, “met Hem begraven werd door de doop in den dood” (Rom. 6: 4), maar ook met Hem mede levend gemaakt (Rom. 6 : 11), woont de opgestane Heer in mij met Zijn volle heerlijkheid.“Want Hij die in ons is, is meerder (sterker) dan die in de wereld is” (1 Joh. 4: 4).

Wilt u toezien of uw wapenrusting waarlijk een wapenrusting Gods is die het uithouden zal tegen alle vijandelijke agressie? Ons geloof is de overwinning. “Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning: ONS GELOOF (geen lidmaatschap van een kerk)Wie is het, die de wereld overwint, dan wie gelooft, dat Jezus de Zoon van God is. (1 Joh. 5 : 4, 5). Wanneer u de wapenrusting Gods hebt aangedaan, dan geniet u de wonderbare consequenties van het volkomen zoenoffer van Jezus Christus op Golgotha, waar Hij, de reeds in het paradijs beloofde Slangenvertreder, de kop van Satan verpletterde. De Heiland heeft daar een absolute en beslissende overwinning op de oude vijand van de mensheid behaald. Ik mag mij beveiligen, mij in-bergen, weg-bergen in deze wonderbare wapenrusting die God mij bereid heeft door het Bloed van Jezus Christus en de doop des Geestes. “Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed” (gepantserd) (Gal. 3 : 27).

Als wij ons met Christus, met Zijn voor ons verworven heil, Zijn overwinning, bekleed hebben, stuit Satan bij elke aanval in eerste instantie op Christus, die mij als een naadloos kleed omsluit, insluit, bedekt. De wapenrusting Gods is te zijn: “bekleed met kracht uit den hoge” (Luk. 24: 49), de Heilige Geest; dat is: “bekleed te zijn met Christus” (Gal. 3 : 27).

DE VIJAND         

De strijd niet tegen vlees en bloed

“Want wij hebben niet te worstelen tegen vlees en bloed” (Ef.6 : 12), schrijft Paulus en ruimt een oud en hardnekkig misverstand op inzake de vijand. De ongeestelijke, natuurlijke mens is geneigd niet verder te zien dan de schil, de buitenkant der dingen en heeft geen inzicht in de diepe, donkere, geestelijke strijd, die in de schepping wordt uitgestreden. “Doch een ongeestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is” (I Cor. 2: 14). Ongeestelijke mensen – en dat zijn helaas de meesten – zien slechts” wat voor ogen is”, natuurlijke dingen, materiële strijd, van ras tegen ras, natie tegen natie, mens tegen mens: “vlees en bloed”. Zij menen dat alle conflicten onder de mensen voortkomen uit nationalistische, economische, politieke, materiële, morele problemen en spanningen, door onbegrip, vrees, hebzucht opgeroepen. En deze conflicten dienen dan ook door politieke en economische specialisten en topfiguren opgelost te worden, langs wegen van bemiddeling, beraad, diplomatie. Staatsvijand no. 1 onder de volkeren is: VREES. Vrees kweekt jaloezie, haat, verwijdering, onbegrip, verkilling, zet naties tegen elkander op, alle politiek is voortgekomen en gebaseerd op vrees. Wat zal de ander doen, wat zal hij tegen en langs mij doen, waar wordt hij gevaarlijk, waarin doet hij mij tekort, wanneer zal hij mij aanvallen, waar zal hij mij economische en politieke schade toebrengen, wat doet hij nu weer buiten mij om, ik wantrouw hem voortdurend – dat is de zin van mijn waakzame politiek -, waar is hij voor mij gevaarlijk? Wij hebben geen toegang tot de gedachten wereld van de andere leiders, wij vergissen ons voortdurend en dit verontrust ons. Maar wij zijn wakker en paraat en staan klaar om toe te snellen en toe te slaan daar waar de dreiging tot actie overgaat. Wij zijn geneigd om op mensen te zien, altijd weer op mensen, wij kunnen het niet laten en ontdekken vanuit onze argwaan talloze vijanden, in de wereldpolitiek, in onze kring, onze familie, onze naaste, overal. Het wantrouwen heeft in de wereld iedereen geïnfecteerd, de vrees die alles verlamt.

Zo is daar in de wereld een communicatie-kloof ontstaan, het grote misverstand onder volkeren en particulieren, een chronisch gebrek om bruggen te slaan tot den ander, een tekort aan begrip en te willen begrijpen. Het is alsof de mensen elk op een eigen eiland wonen en elkander van ver wat toeroepen, woorden die verwaaien in de wind. Wat een gebrek aan communicatie in de politiek der volkeren, onmacht in verstaan. Wat is er een storing tussen werkers, echtgenoten, jongeren, op elk gebied. Niet alleen is er horizontaal een misverstaan, alsof we elk een eigen taal spreken die de ander niet verstaat, maar ook verticaal is er een vreselijke communicatie-stoornis tussen de mens naar God, de mens is vervreemd geraakt van het verticaal communiceren met God, een fatale vervreemding van de wortels van zijn geloof. Hij is verleerd met zijn God te praten, met Hem te overleggen, Zijn raad te vragen, woordcommunicatie te onderhouden, zijnerzijds het verbroken dialoog met God te doorbreken. Gode zij dank is er van Boven uit, van God uit, geen stoornis in het zoeken naar een hernieuwd dialoog,contact, met de mens. Geen enkele blokkade bij Hem. Jezus heeft het weggevallen woord in het Goddelijk dialoog tussen de Schepper en het schepsel teruggebracht, weer ingevoegd, zodat het gesprek weer voortgang kan hebben Hij deed dit door Zelf het Woord te worden dat in het vlees, het opengebroken dialoog, kwam, om de verticale communicatie met God te genezen, herstellen. Halleluja!

Vrees komt voort uit onwetendheid, “gebrek aan kennis”. Omdat wij de dingen niet (precies) weten, zijn wij bang. Waarheen zal deze zorg, deze ziekte voeren, hoe zal hij of zij reageren, wat steekt er voor waarheid in deze woorden? Onbekendheid wekt vrees, gevoel van onbehagen. Daarom spenderen wij miljoenen aan defensie en politie, voor onderzoek en bestrijding van ziekten, voor economische zekerheid. Alles in de wereld rondom ons leeft in spanning over alle dingen van “vlees en bloed”, het vult onze gesprekken en gedachten. Maar Paulus zegt: ” Vlees en bloed kunnen het Koninkrijk niet beerven en het vergankelijke beërft de onvergankelijkheid niet” (I Cor. 15 : 50).

De strijd in deze wereld is van “vlees en bloed” tegen “vlees en bloed”, vergankelijkheid tegen vergankelijkheid, alles op het natuurlijke, materiële, aardse vlak. Men ziet algemeen niet hoger, niet geestelijker, niet van God uit naar God toe. “Dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen” (I Cor. 15 : 53). Want: “Is er een natuurlijk lichaam, dan bestaat er ook een geestelijk lichaam” (I Cor. 15 : 45). Paulus schrijft in dit hoofdstuk over verschillende werelden, die der vergankelijke, natuurlijke en die der onvergankelijke, geestelijke. Petrus bijvoorbeeld zag dit onderscheid niet en herkende deze geestelijke strijd niet. Wanneer hij in Gethsemané Jezus bedreigd ziet door “een grote schare met zwaarden en stokken, gezonden vanwege de overpriesters en oudsten des volks” (Matth. 26: 47), die Hem trachten gevangen te nemen, komt hij in paniekstemming voor zijn Meester op, trekt zijn zwaard en zwaait daarmee in het rond. Hij zag niet verder dan deze strijd van man tegen man, zwaard tegen zwaard, “vlees en bloed”. Petrus zag Jezus met de bittere drinkbeker in de hand, die de Vader Hem te drinken gaf, hij wenst deze uit Zijn handen te slaan, te vernietigen uit liefde voor zijn Meester. Hij wilde door het struikgewas van bedrog en verraad een uitweg hakken, waardoor Jezus kon ontkomen, hij wilde Jezus verlossen van het kruis wiens schaduw duidelijk op Hem viel. Hij bedoelde het goed, maar zag Jezus’ grote zending op aarde niet en had, simplistische geest als hij is, slechts oog voor deze aanranding van “vlees en bloed”. Door zijn driftig en teugelloos optreden verwondt hij Malchus, de dienstknecht van de hogepriester en slaat hem het oor af. “En zie, een van die bij Jezus waren, strekte zijn hand uit, trok zijn zwaard en trof den slaaf van den hogepriester en sloeg hem het oor af. (Matth. 26 : 51). Jezus raakte het oor aan en genas hem (Luk. 22 : 51). Maar Petrus kreeg een bestraffing. Jezus zegt tot hem:“Breng uw zwaard weder op zijn plaats, want allen, die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen” (Matth. 26: 52).

Petrus, zie deze strijd niet als een aangelegenheid van” vlees en bloed”, het is een geestelijke strijd! De wereld van “vlees en bloed” is het terrein waarin God Zijn eerste oordelen wierp, in het paradijs werd de vloek gericht op “vlees en bloed”. Tot de vrouw die zondigde, sprak God in Zijn paradijsvloek Zijn bestraffend woord en de lichamelijke smart, de ziekte, deed haar entree, in het vlees. “Ik zal zeer vermeerderen de moeite uwer zwangerschap; met smart zult gij kinderen baren” (Gen. 3 : 16). De vrouw werd door Gods toorn getroffen in haar specifieke functie: het moederschap; hier werd het “vlees en bloed” aangesproken door Gods Woord. En tot de man sprak God: “Omdat gij naar uw vrouw hebt geluisterd en van de boom gegeten, waarvan Ik u geboden had: Gij zult daarvan niet eten, is de’ aardbodem om uwentwil vervloekt: al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft, en doornen en distelen zal hij u voortbrengen, en tot stof zult gij wederkeren” (Gen. 6 : 17 -19).

De wereld van de stof, “vlees en bloed”, “Blut und Boden”, werd door God aangesproken en vervloekt.

Het Woord is vlees geworden.        

Maar Jezus Christus kwam op aarde en nam deze vloek op Zich, bevrijdde de wereld van deze vloek, de vloek van ziekte, smart en ongerechtigheid, door het op Zich te laden. “Nochtans, onze ziekten heeft Hij op Zich genomen, en onze smarten gedragen” (Jes. 53: 4). “De straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem en door Zijn striemen is ons genezing geworden” (Jes. 53: 15). Jezus is gekomen op aarde, de Schepper die alles uit Zich voortbracht. “Alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen” (Col. 1: 16). Hij, die alles uit het Woord deed ontstaan (Joh. 1: 1-3), werd de Herschepper, Hersteller, door in dit zieke, zondige vlees in te komen, in onze bedorven en verbroken relatie met God en het te genezen en te vernieuwen (Joh. 1: 14). Hij werd een verse, levende weg terug tot de Vader, een nieuwe Goddelijke mogelijkheid tot herstel van de verbondsbreuk, trouwbreuk, woordbreuk, die wij pleegden tegenover Hem. Jezus kwam om leven en overvloed te brengen (Joh. 10: 10), waar dood en oordeel en misère was: in ons vlees. Hij heelde de scherven, de brokstukken van ons bestaan: Hij, de Heelmeester (Ex. 15 : 26). Hij, de laatste Adam, nam de vloek, de straf op Zich van de eerste Adam en droeg deze in Zijn lichaam de dood, het graf in, waar Hij dit alles achterliet toen Hij verheerlijkt opstond. Hij schiep een nieuwe toestand, “Zie het is alles nieuw geworden” . “Hij bracht de overwinning door Zijn bloed, Zijn opstanding, Zijn Heilige Geest. In het oude Verbond was alles “vlees en bloed”. Ontelbare offerdieren werden geslacht, duizenden stuks vee, en stromen bloed vloeide op het altaar om de zonden van “vlees en bloed” te verzoenen. Maar het kon dit niet. “Want het is onmogelijk dat het bloed van stieren en bokken zonden zou wegnemen” (Hebr. 10: 4). Bloed van stieren kan zonden slechts bedekken, niet wegnemen. “Niet met het bloed van bokken en kalveren, maar met Zijn eigen bloed, is Jezus, eens voor altijd binnengegaan in het heiligdom, waardoor Hij een eeuwige verlossing verwierf’ (Hebr. 9 : 12).

Jezus alleen doet de zonden weg, door ze te vergeven. Het nieuwe Verbond bracht het Woord van God in dit vlees, in onze menselijke existentie; het Woord van Gods genade en vernieuwende kracht. Satan blijft altijd pogen alles weer te maken tot een strijd van “vlees en bloed”, hij drukt altijd op het oude terug, hij erkent de nieuwe heilstoestand die Jezus’ komst teweegbracht niet en probeert ons te doen geloven dat het nog steeds de oude strijd van “vlees en bloed” is gebleven. Hij kan zijn politiek van angst en haat dan voortzetten, de mensen tegen elkander blijven opzetten en vrede op aarde vernietigen. Hij kan voortgaan de mens in zijn fysieke leven aan te vallen om hem te pijnigen en te plagen. Maar Jezus kwam om Satan en zijn sinistere praktijken te door-“kruis”-en en te verslaan. “Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou” (I Joh. 3: 8). De werken des duivels, geopenbaard in oorlog, haat, misdaad, ziekte, pijn, vrees, armoede, zijn door de openbaring van de Zoon van God, door Jezus’ komst, verbroken en teniet gedaan.

Indien u blijft zien op wat voor ogen is, wat het vlees alleen benaderen kan, ontwaart u alleen de verwoestende werken van Satan, overal om u heen. Maar als u staat in het Woord en bewust de overwinning in Jezus ziet, zult u ontdekken, voortdurend en juichend ontdekken, dat Jezus, de Held Gods, leeft en triumferend Zijn macht openbaart, door en in alles heen. Zie door de stoffelijkheid heen, door de vijandelijkheid van de mensen heen, dan zult u ontdekken dat het de vijand, Satan is, die door hen heen en achter hen om u aanrandt en pijnigt. Wanneer uw ogen echter gewassen zijn met de wonderbare ogenzalf van Openb. 3: 18, en u geleerd hebt geestelijk te zien en te doorzien, ontdekt u overal achter de mensen en dingen de vernietigende vijand met zijn duistere praktijken.

Het is daarom hoogst noodzakelijk in deze geestelijke strijd u zorgvuldig te beschermen met de wapenrusting Gods; het Bloed van Jezus, de vervulling met de Heilige Geest en de Gaven des Geestes (I Cor. 12: 10). U zult nodig hebben ALLE gaven, de uitingsgaven om u op te bouwen door te bidden in den Geest, in nieuwe tongen (I Cor. 14: 4; Judas 20); de drie openbaringsgaven, vooral de gave van het onderscheiden van geesten (1 Cor. 12:10); en de krachtgaven, om de machten die onderkend, geïdentificeerd werden, ook onschadelijk te maken, ze te binden en uit te werpen. Er is geen menselijke, fysieke kracht zo groot, geen zwaard zo scherp, om deze vernietiger van het geluk der mensen te vernietigen. Alleen de kracht des Geestes, het woord van gezag, de volmacht Gods, is in staat deze overwinning te behalen. Wij bezitten deze volmacht in het volbracht verlossingswerk van Jezus Christus. “in dit alles zijt gij meer dan overwinnaar”

Als wij gezien en geleerd hebben dat het niet de mensen en handelingen der mensen zijn, die ons moeite en pijn veroorzaken, maar Satan, die als de marionettenspeler verborgen op de achtergrond zijn poppen bespeelt, dan zullen wij de boze bestrijden met alle middelen waarover wij beschikken, doch de mens milder zien en liefhebben. Jezus wist ook deze scheiding scherp te zien,- hij wierp de duivel uit en verloste de mens.

Een geestelijke strijd  

In Kapernaüm predikte op een sabbath een jonge rabbi van Nazareth, Jezus de timmermanszoon, en bracht daar Zijn voor de Schriftgeleerden nieuwe en afwijkende leer. Hij was nauwelijks aangevangen te spreken toen een man opstond – stelt u deze consternatie voor – die luid door de kerk schreeuwde: “Wat hebt Gij met ons te maken, Jezus van Nazareth?” (er was slechts één antwoord: alles!). “Zijt gij gekomen om ons te verdelgen?” (de duivel kan alleen denken in termen van verdelging). “Ik weet wel, wie Gij zijt: de Heilige Gods!” (Mark. 1: 21-24). (Terwijl rondom de persoon van Jezus de mensen alleen maar onbekendheid, verwarring heerst over Zijn plaats in het Koninkrijk, spreekt het rijk der duisternis zich scherp en juist uit, de vader der leugen onthult de waarheid omtrent Jezus). Indien deze luid schreeuwende man voor ezus gewoon “vees en bloed” was, zou Hij de koster een teken hebben gegeven om hem uit de kerk te verwijderen. Hij zou niet toestaan dat deze dienst zou worden verstoord. Deze onbeheerste en misschien wel gevaarlijke man behoort te worden opgenomen voor onderzoek en behandeling in een ziekenhuis, deze arme man dient men af te zonderen vanwege onmogelijk gedrag. Ja, zo reageren de mensen.

Maar Jezus doorzag de gehele situatie scherp en wist dat Satan zich hier van “vlees en bloed” bediende om Hèm aan te vallen, Hèm, die kwam om tegen Satan met gezag op te treden. Het was een geestelijke aanval die het woord opnam tegen het Woord, die zich openbaarde tegen de openbaring van het Koninkrijk Gods, macht tegenover macht, regiem contra regiem. Jezus doorzag de vijand en gebood deze onreine geest onmiddellijk te zwijgen en uit te varen. “Jezus bestrafte de onreine geest, zeggende: Zwijg stil, ga uit van hem. En de onreine geest deed hem stuiptrekken en ging onder groot geschreeuw van hem uit” (Mark. 1 : 24-26). Jezus overwon! Hij stelde geen spierkracht of fysieke overmacht tegenover dit gedemoniseerde “vlees en bloed”, maar Zijn Geest sprak bevelend die onreine geest aan en deze geest herkende en erkende de Meerdere in Jezus en ging uit van de mens. “ Wat is dit? Een nieuwe leer met gezag! Ook de onreine geesten geeft Hij bevelen en zij gehoorzamen Hem!” (Markus 1:21-27).

Later gebeurde iets dergelijks in het land der Gerasénen. Nauwelijks was Jezus tegen de hoge oever opgeklommen, of daar “kwam Hem terstond uit de grafsteden een mens tegemoet met een onreine geest, die verblijf hield in de graven en niemand had hem meer kunnen binden, zelfs niet met een keten, want hij was dikwijls met voetboeien en ketenen gebonden geweest en de ketenen waren door hem stuk getrokken en de voetboeien vernield en niemand was bij machte hem te bedwingen” (Mark. 4: 2-4). “Vlees en bloed” poogde hier “vlees en bloed” te binden en onder controle te krijgen, maar het bleek niet mogelijk. Hier werd immers geen strijd gestreden van “vlees en bloed”, maar van demonen, boze geesten, vorsten der duisternis. Jezus stond voor de man en de onreine geesten (legioen, want wij zijn talrijk en herkenden in Hem de Meerdere, de Overwinnaar en zij smeekten Hem dringend hen niet uit het land te zenden.

Genadig, zoals een heerser, een meester van de situatie, zich dit kan veroorloven, staat Hij de laatste wens van een overwonnene toe en laat hen varen in de zwijnen. Toen deze demonen werden uitgedreven uit de mens, wensten zij in het dier, dieren, te varen, hun tweede keus. Zwijnen zijn voor de Jood onreine dieren. De machten wilden dit land, deze regio, niet verlaten omdat een bevel hen verantwoordelijk had gesteld, gebonden, aan dit land; het waren regionale machten. Zij wilden hun vernietigend werk volstrekt in dit land, maar in andere schepsels voortzetten. En de man zelf? Hij werd door Jezus niet gebonden, maar ontbonden.

Jezus zag deze onreine wereld van demonen en wierp hen uit, terwijl Hij de man (“in mensen een welbehagen”) verloste en bevrijdde. En als later dezelfde mannen die deze razende woesteling meermalen vergeefs hadden geboeid, uit de steden naderbij kwamen en hem daar zo stil zagen zitten bij Jezus, normaal, gezond, gekleed, bemerkten zij ook dat deze man vrij was “Niet door kracht noch door geweld, maar door Mijn Geest” (Zach. 4: 16) zegt God.

Dit was geen zaak van “vlees en bloed”, Jezus wist het en Hij die gekomen was om de werken des duivels te verbreken, wierp eenvoudig deze machten uit om deze mens te redden en tot Zijn vriend te maken. In hetzelfde evangelie (Marcus schrijft veel over de overwinning op het duistere rijk van Satan), brengt men een epileptische jongen tot Jezus. De vader vraagt: “Maar als Gij iets kunt doen, help ons en heb medelijden met ons!” Jezus sprak daarop met de vader over: geloven, waarlijk geloven, niet theoretiseren, maar twijfelloos, volkomen geloven, want “alle dingen zijn mogelijk” dan. “En toen Jezus zag, dat de schare samenstroomde, bestrafte hij de onreine geest en zeide tot hem: Gij, stomme en dove geest, Ik beveel u: ga van hem uit en kom niet meer in hem!” (Mark. 9: 25). Jezus zag dit ziektegeval niet als “vlees en bloed”, hij zag achter dit stuiptrekken op de grond, dit schuim op de mond, achter deze doofstomheid iets anders, iemand anders en gebood de macht uit te varen. Hij wierp deze demonen uit en de jonge was gezond.

Niet alleen Jezus, ook Petrus en Paulus en al Zijn met de Heilige Geest vervulde knechten, deden dezelfde werken. Want: “Ik zeg u wie in Mij gelooft, de werken die Ik doe, zal hij ook doen en grotere nog dan deze” (Joh.14 :12). Ook zij mochten de kracht Gods boze machten bestraffen en uitwerpen. “En het geschiedde, toen wij naar de gebedsplaats gingen, dat een zekere slavin, die een waarzeggende geest had, ons tegenkwam … Maar toen dit Paulus verdroot, wendde hij zich tot den geest en zeide: Ik gelast u in de Naam van Jezus Christus, van haar uit te gaan! En hij ging uit op datzelfde uur” (Hand. 16: 16). Niet zij, de vrouw, werd aangesproken en geboden te zwijgen, geen “vlees en bloed” werd door het machtwoord Gods getroffen, doch de geest, hij! Paulus wierp de waarzeggende geest met een enkel woord, door de volmacht waarover hij beschikte, uit, in de naam van Jezus Christus. Dit zijn enkele gevallen die wij in de Bijbel tegenkomen, er zijn meerdere te vinden. Ook uit onze bediening zijn deze gevallen te vermelden, precies zo, de dingen van het Koninkrijk veranderen niet. Het is er de vijand alles aan gelegen dat deze geestelijke strijd van Geest tegen geest niet wordt gezien en de vijand herkend achter mensen en dingen. Maar, prijs de Heer, wij mogen, aangegord met de wapenrusting Gods, met gezag optreden in de machtige naam.van, Jezus, de Heer. U moet wel degelijk zeker zijn dat u de juiste wapenrusting hebt aangedaan, geen andere zal bestand blijken tegen de machten. U moet er zich zeer wel van bewust zijn dat u niet in eigen ontoereikende kracht komt, maar in de kracht des Heiligen Geestes. U dient te weten wie u bent in Christus, in Wien u alle dingen vermoogt. U moet mij niet verkeerd begrijpen. Ik zeg niet dat al deze ongelukkige zieken en gestoorden niet moeten worden opgenomen en geholpen. Ik heb een diep respect voor de kundigheid en toewijding van medici en verplegend personeel en ben zeer dankbaar dat zij er zijn. Ik wens u hier echter te wijzen op de demonische achtergronden van zoveel ziekten en zoveel bezetenheid van patiënten. De woorden van Jezus op Hemelvaartsdag zijn: “Deze tekenen zullen de gelovigen volgen: In Mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven” (Mark. 16: 17).

De boosheden in de lucht        

“Want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten” (Er. 6 : 12). Paulus toont scherp aan, welke onze vijanden zijn, niet die wij altijd meenden die zij waren, de zichtbare, de materiële, maar daaràchter, de geestelijke vijandigheid der demonieën. Paulus weet waarover hij schrijft en kent deze harde strijd uit eigen ervaring. De aanstichter van het kwaad achter de schermen heeft hij herkend en aangewezen en de strijd is gericht tegen hem, de vorst der duisternis. Elke jonge man in ons land moet opkomen in militaire dienst en geruime tijd zich oefenen in de wapenen, als soldaat moet hij leren strijden. Hem wordt door zijn officieren geleerd hóe hij het veld verkennen moet en de vijand herkennen door zijn gedragingen, zijn strijdmethode. Hij mag niet als er aangevallen wordt, vluchten vol vrees, of in het wilde weg schieten, neen hij moet stáán en de vijand treffen en uitschakelen, dàt wordt van hem als soldaat verwacht.

Hij moet de grond waarop hij staat, het koninkrijk waartoe hij behoort, verdedigen met al wat in hem is. Waar is de prediker die zijn gemeente strijdbaar maakt door de Heilige Geest, die nauwkeurig de vijand van Gods volk aanwijst en leert kennen, die zijn gemeente leert deze machten te onderscheiden en te bestrijden? Men zegt “dat het zo’n volkomen onbekend en uiterst gevaarlijk terrein is en dat wij er ons maar niet mee moeten inlaten, dat is voorzichtiger en zekerder!” Loopt de soldaat weg naar huis omdat het oorlogsterrein zo gevaarlijk is en de handelingen van de vijand zo onduidelijk? Werpt hij zijn geweer weg en vlucht hij? Wordt dit van hem verwacht door zijn koning? Wordt de gemeente naar huis gezonden met de raad “van deze dingen af te blijven”, en “er maar voor op te passen”? Deze houding is Satan zeer welkom, hoe meer er vrees ontstaat voor hem, hoe ongestoorder kan hij voortgaan in de gemeente met zijn werk van verontrusting, schending, afbraak, vernietiging. Zo lang men zo weinig van de politiek en de tactiek van de Boze weet en weinig of geen ervaring in zijn bestrijding heeft, zo lang men voortgaat uiterste voorzichtigheid tegen hem te prediken, zo lang kan hij onbelemmerd voortgaan het lichaam van Christus schade toe te brengen. Satan heeft zijn heerschappij, zijn rijk, naast die van God en valt Gods Koninkrijk dag en nacht aan in Gods kinderen. Paulus zegt: Hij is de god dezer eeuw; Jezus zegt zelf: Hij is de overste der wereld. Hij verwringt, vertekent de dingen, haalt ze neer, besmeurt en verontreinigt ze, hij trekt de zaken uit zijn proporties, hij beledigt, beschadigt, verkrampt, knijpt toe, vernauwt, duwt alles wat opwaarts het licht van God zoekt neer tegen de aarde terug. Hij is de grote tegenmacht tegenover God en heeft tegen Hem sluw en hard en consequent de strijd aangebonden, de strijd die uitgestreden wordt in de levens van Gods kinderen. Hij stelt zijn woorden naast, tegenover die van God (dit begon reeds met Eva in Gen. 3: 4), hij plaatst zijn daden naast, tegenover die van God, hij zoekt daarmede zijn eer, terwijl de glorierijke wonderen en tekenen van het Koninkrijk daar alleen zijn tot eer van Jezus Christus. Satan speelt de Heer (Matth. 4: 1-11), maar Jezus is alléén de Heer en aan “Mij is gegeven alle macht in de hemel en op aarde”(Matth. 28: 18). Hij is de grote tegenstander van Jezus ,en bestrijdt Zijn heerschappij over zielen, geesten en lichamen met alle middelen, met alle raffinement. Hij is de hater van het Bloed van het Lam, de ontkenner van de macht daarvan. Hij is de tegengeest, “Der Verneiner”. Hij verloochent de macht van Gods Woord en ontkent de autoriteit van de naam van Jezus. Hij trekt deze macht aan zich, aan zijn woord. Hij wijst voor de Gemeente van Jezus Christus de actualiteit van Gods manifestaties af door ze naar het verleden te dirigeren of naar de toekomst, ver van ons hedendaags en persoonlijk leven weg. Hij suggereert: wonderen, genezingen OP gebed, spreken in nieuwe tongen, profeteren, uitwerpen van demonen, zij werken alleen in en voor Jezus’ dagen, zij zullen later misschien weer terugkomen in het duizendjarig rijk, maar niets daarvan voor nu, “, voor hier, voor mij. Satan is een leugenaar. Hij verwringt de waarheid. Hij is intelligent genoeg om niet met zwart te komen tegenover wit, maar hij komt met een geraffineerd gamma van grijzen, soms meer naar wit genuanceerd, soms donkerder, hij schuwt zelfs niet duifgrijs te gebruiken. Hij kan zeer elegant optreden. Maar hij is de dief, de moordenaar, de leugenaar van den beginne. Hij schuwt niet de kinderen Gods zijn drievoudige leugen voor te houden: ten eerste: U bent niets; ten tweede: U hebt niets; ten derde: U kunt niets! Denigrerend! Bespottend! Afbrekend! Maar wij hebben voor deze drievoudige leugen in de Bijbel een drievoudig antwoord, dat wij hem willen voorhouden. Als hij zegt dat wij niemand, niets zijn, lees ik: “Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht” (I Petr. 2: 9). “Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft . liefgehad” (Rom. 8 : 17). Als hij zegt dat wij niets hebben, lees ik: “Alles is immers het uwe: hetzij Paulus, Apollos of Cephas, hetzij wereld, leven en dood, hetzij heden of toekomst, het is alles het uwe; doch gij zijt van Christus, en Christus is van God” (I Cor. 3: 21-23). Als hij zegt dat wij niets kunnen, lees ik: “Ik vermag alle dingen in Hem, die mij kracht geeft” (phil. 4 : 13).

Dat zijn Gods antwoorden die ik stel tegenover de leugens van Satan. Ik ben, ik heb, ik kan wat God in Zijn Woord zegt dat ik ben, heb, kan; dat is het positieve getuigenis van mijn Heer en daar houd ik mij aan! Satan verlamt het geloof door twijfel te zaaien in de harten, hij schroomt niet de geesten der predikers te infiltreren en hun woorden in te geven die negatief en wantrouwend zijn tegenover de grote daden van God vandaag, hij poogt Gods manifestaties te verkleinen, te bagatelliseren en te ridiculiseren, hij poogt alles belachelijk te maken en te ontluisteren wat de Heer doet in onze dagen, door te verklaren dat dit “suggesties zijn van een emotioneel volk”. Hij holt het Woord van God uit en Zijn beloften die in de Bijbel alle: ja en amen! zijn (11 Cor. 1: 20). Hij komt met zijn eeuwig: ja, maar! met een air van wetenschappelijkheid of godsdienstigheid telkens daar waar God Zijn eisen duidelijk stelt, Zijn Woord spreekt en Zijn daden doet. Hij wil troosten op zijn satanische wijze, door middel van waarzeggers en raadgevingen van afgestorvenen, “nietswaardigen troost bieden zij” (Zach. 10: 2), of met verdovende middelen; tegenover de Goddelijke Trooster, de Heilige Geest, die u in alle waarheid leiden zal. “Hij komt met zijn afleidings-manoeuvres en doet ons zien op christenen inplaats van op Christus, op mensen inplaats van op de Meester. Hij doet ons fouten zoeken aan onze predikers, aan broeders en zusters. Hij drukt onze aandacht op allerlei “teleurstellingen” en “misleidingen”, zodat wij niet zien de veelheid van Gods glorierijke daden.

Hij is er op uit om met alles onze groei te belemmeren, ons opwassen tot de volle mannelijke rijpheid te stagnéren. Hij verstart soms het jonge, blije geloof van pasbekeerde kinderen Gods en duwt de door Jezus waarlijk vrijgemaakte ziel (Gal. 5 : 1) weer terug in het slavenjuk van een of andere organisatie, vormgeslotenheid, ommuring, inklemming (aansluiting betekent vaak: afsluiting), zodat de Heilige Geest, die slechts in vrijheid werken kan, wordt bedroefd, uitgeblust. De Geest wil de mens leiden als een vrije zoon der belofte, en niet als Ismaël, de zoon van de slavin. Satan dringt ons de onvrije zoon van Hagar op, zodat wij daarmee genoegen zullen nemen tegen Gods belofte in, en wanneer de lang beloofde vrije zoon Izak geboren is, zal de onvrije de vrije bespotten en honen. De duivel zal proberen dat u hem zal ontkennen waarlijk te bestaan en brengt een mythe daarvoor in de plaats, een belachelijke karikatuur met hoorns en bokspootjes of een literaire Mephisto-figuur.

Maar hij is een levende persoonlijkheid, de werkelijke erfvijand, de vijand van vriend en vijand; tegenover Jezus, de vriend van vriend en vijand. Hij vergiftigt de bronnen waaruit de mensen drinken, verkoelt de liefdevuren, dooft het licht van Gods Geest uit waar hij maar kan. Hij zoekt een volkomen heerschappij over de aarde en de tijd.

Wie is Satan en waar komt hij vandaan?       

Velen denken dat Satan een mythe is, een idee, men spreekt liever van “het kwaad”, als een abstractie, dan over een persoon met een eigen identiteit. Men heeft geen idee hoeveel plezier men Satan daarmee doet, want het is zijn politiek om zijn existentie zoveel mogelijk te mystificeren, te verhullen, omnevelen. Hij is een levende persoonlijkheid. ” … want Hij die in u is, is meerder dan die (niet “dat”: idee, maar “die”: persoon) in de wereld is” (I Joh. 4: 4). Hij is de rebel Gods, die God neerwierp in de duisternis. “Gij waart een beschuttende cherub met uitgespreide vleugels; Ik had u een plaats gegeven: gij waart op der heiligen berg der goden, wandelend temidden van vlammende stenen. Onberispelijk waart gij in uw wandel, vanaf den dag dat gij geschapen werd, totdat er onrecht in u werd gevonden: door uw uitgebreid en handel zijt gij vervuld geraakt met geweldenarij en kwaamt gij tot zonde. Van den berg der goden verbande Ik u en deed u weg, gij beschuttende cherub, van tussen de vlammende stenen. Trots was uw hart op uw schoonheid – met uw luister hebt gij ook uw wijsheid te niet doen gaan. Ter aarde wierp Ik u neer, en maakte u tot een schouwspel voor koningen om met leedvermaak naar u te zien. Door uw vele ongerechtigheden, door het onrecht bij uw koophandel, hebt gij uw heiligdommen ontwijd. Vuur deed Ik oplaaien uit uw midden – dat verteerde u! Ik maakte u tot as op den grond voor de ogen van allen die u zagen. Allen die onder de volken u kennen, ontzetten zich over u; een verschrikking zijt gij geworden, verdwenen zijt gij – voor altijd!” – (Ezechiël 28 : 14-19). “Hoe zijt gij uit den hemel gevallen, gij morgenster, zoon des dageraads; hoe zijt gij ter aarde geveld, overweldiger der volken! En gij overlegdet nog wel: Ik zal ten hemel opstijgen, boven de sterren Gods mijn troon oprichten en zetelen op den berg der samenkomst ver in het Noorden; ik wil opstijgen boven de hoogten der wolken, mij aan den Allerhoogste gelijkstellen. Integendeel, in het dodenrijk wordt gij neergeworpen, in de diepste der groeve” (Jes. 14: 12-17).

Lucifer werd door God gestoten uit Zijn onmiddellijke presentie, uit Zijn intimiteit. Toen hij zich “aan de Allerhoogste wilde gelijkstellen”, verbrak God Zijn relatie met hem. God had hem gecreëerd – “de dag dat gij geschapen werd” , hij was een schepping Gods voor de plaats en functie die God Zich had voorgesteld. De Bijbel zegt dat engelen geen vader en moeder hebben, elke engel is een individuele, incidentele, persoonlijke schepping Gods. Hij creëerde hen voor de lof van Zijn Naam, zij waren Zijn dienende geesten rondom Zijn troon. Over hen werden vorsten gesteld, prinsen worden zo genoemd, aartsengelen. De heerlijkste van allen was de “Zoon van de morgen”, “Zoon des dageraads”, “Morgenster” (in het latijn “Lucifer”). Hij was het hoofd van de cherubs, een denominatie onder de engelen, de Bijbel noemt hem “de beschuttende cherub”, een andere vertaling “de overdekkende cherub”. Door zijn rebellie tegen God werd hij op de aarde geworpen, in “de. diepste der groeve” en veranderde van de lichtste, heerlijkste aller engelen in de duisterste aller duivelen, hij werd de koning der duisternis, de vorst van de nacht. Zijn diskwalificatie was . volkomen. Toen hij uit de hemel viel, nam hij engelen met zich mee, die hij tot zijn engelen maakte. “En de grote draak werd op de aarde geworpen, de oude slang, die genaamd wordt de duivel en de Satan, die de gehele wereld verleidt; hij werd op de aarde geworpen en zijn engelen met hem” (Openb. 12: 9); Hij sleepte een derde van de engelen mee naar de aarde en dat zijn de gevallen engelen, de demonen, boze geesten, duivelse machten. Engelen worden vaak als sterren aangeduid. “En zijn staart sleepte een derde van de sterren des hemels mede en wierp die op de aarde” (Openb. 12: 4). Vele Bijbelleraars lezen hier sterren als engelen. De verhouding van engelen tegenover demonen staat als twee tegenover één. Prijs de Heer!

Efeze 6 schrijft over “overheden, machten, wereldbeheersers dezer duisternis, boze geesten in de hemelse gewesten”; daar zijn in het rijk der duisternis vele gradaties en variaties, vorsten, generaals, officieren. De Bijbel spreekt over enkele topfiguren, prinsen. Daar wordt “Belial” genoemd, zijn naam wordt gevormd uit twee andere namen: Beli en Jaäl, het eerste betekent “zonder” en het tweede “wet”, Belial betekent “zonder wet, wetteloze”. U leest over hem in 2 Cor. 6 : 15. Daar is nog een opper-engel van Satan, hij is de engel des afgronds, zijn naam is Abaddon, “Zij hadden over zich als koning de engel des afgronds: zijn naam is in het Hebreeuws Abaddon en in het Grieks heeft hij tot naam Appollyon” (Openb. 9 : 11). Een andere naam van een overste van Satans legermacht is Beëlzebul, “Deze drijft de boze geesten slechts uit door Beëlzebul, de overste der geesten” (Matth. 12 : 24). In het boek Daniël wordt gesproken over een vorst van het koninkrijk der Perzen, een regionale macht. “Maar de vorst van het Koninkrijk der Perzen stond eenentwintig dagen tegenover mij (hij is geen aardse vorst maar een spirituele); doch zie, Michaël (even eens een spirituele macht, een vorst des Heren, “de grote vorst, die de zonen van uw volk terzijde staat· (Dan. 12 : 1) kwam mij te hulp, zodat ik daar, bij de koningen der Perzen, de overhand behield” (Dan. 10: 13). Een strijd tussen twee supermachten in de hemelse gewesten. Al deze machten der duisternis, de groten en de kleinen, hebben een levendige herinnering aan Gods heiligheid, Zijn majesteit, Zijn absolute heerschappij. Zij kennen Jezus, in de troon van de Vader, in de glorie der hemelen. Daarom zullen wij de demonen, duistere machten, altijd voorhouden wie Jezus is en Zijn Naam noemen, in Zijn Naam optreden en hen in dien Naam uitwijzen. “In Mijn Naam zullen zij boze geesten uitdrijven”, zegt Jezus (Mark. 16: 17). Voor de autoriteit van die Naam,voor het gezag van alles wat in die Naam is vervat, zullen zij uitwijken, vluchten. Telkens als Jezus met deze demonische machten te doen heeft in Zijn bediening, bemerkt Hij dat zij zich Hem herinneren, Hem kennen, van vrees voor Hem vervuld zijn. “En terstond was er in hun synagoge een man met een onreinen geest en hij schreeuwde luid, zeggende: Wat hebt Gij met ons te maken, Jezus van Nazareth? Zijt Gij gekomen om ons te verdelgen? Ik weet wel, wie Gij zijt: de Heilige Gods” (Mark. 1 : 23, 24). Deze onreine geest wist wie Jezus was. “En Hij genas velen die ernstig ongesteld waren door allerlei ziekten, en vele boze geesten dreef Hij uit en liet den geesten niet toe te spreken, omdat zij Hem kenden” (Mark. 1: 34). Jezus verbood hen Hem bekend te maken aan de mensen zoals zij Hem kenden, omdat Hij Zijn zending op aarde nog niet had volbracht, het op Zich nemen van de collectieve en persoonlijke schuld der mensen. “En de onreine geesten wierpen zich voor Hem neder, telkens als zij Hem zagen, en zij schreeuwden, zeggende: Gij zijt de Zoon van God. En herhaaldelijk verbood Hij hun Hem bekend te maken” (Mark. 3: 11, 12). “En toen hij Jezus uit de verte zag, liep hij toe, viel voor Hem neer, en zeide, roepende met luider stem: Wat hebt Gij met mij te ma- . ken, Jezus, Zoon van den allerhoogsten God?” (Mark. 5: 7). “Toen de zon onderging, brachten allen, die zieken hadden, lijdende aan allerlei kwalen, dezen tot Hem. Hij legde ieder van hen afzonderlijk de handen op ·en genas hen. Van velen voeren ook boze geesten uit, roepende en zeggende: Gij zijt de Zoon van God. En Hij bestrafte hen en liet hun niet toe te spreken, omdat zij wisten, dat Hij de Christus was” (Luk. 4: 40). Waar een intieme vriend en trouwe volgeling als Johannes onzeker was over zijn Meester en eigenlijk niet wist wie Hij was, getuigende het woord “Zijt Gij het, die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten” (Matth. 11 : 3), blijken alle demonen zekerheid te hebben en nauwkeurig te weten wie Jezus is. In het voor hen kritieke ogenblik van uitdrijving, lieten zij blijken Hem te kennen en Hem te herinneren! In het rijk van Satan dat bijeengehouden wordt door vrees, waar zoveel verschillende machten opereren, groten en kleinen, weten alle demonen, wie ze ook zijn en wat ze ook doen, DRIE dingen heel beslist. Ten eerste: zij weten allen dat hun zaak een verloren zaak is. Ten tweede: zij weten allen dat Jezus de overwinnaar is. Ten derde: zij weten allen dat hun tijd nog kort is. Bij het bestrijden en uitwerpen van demonen, dient u deze dingen te weten en tonen dat u dit weet, dat verlamt hun activiteiten!

Een overwonnen vijand  

Satan is een overwonnen vijand. De Slangenvertreder, die God reeds in de paradijsvloek beloofd heeft: Jezus Christus, heeft hem op Golgotha’s kruis de kop vermorzeld. De zaak van de duiv el staat er slecht voor, het is een verloren zaak en hij weet dit, daarom is hij gevaarlijk. Hij kan nog zo proberen ons te doen geloven in zijn schijn-heerschappij, hij IS een overwonnen vijand en hij kan slechts zover gaan als het touw waaraan hij vastzit, lang is. Jezus is Overwinnaar en heeft het laatste Woord, omdat Hij ook het eerste Woord had en het Woord is. Elke satanische macht, elke demon wéét dat hij overwonnen is en dat hij voor elk kind van God, die hem tegentreedt in de machtige Naam van Jezus, zal hebben terug te wijken. Geen enkele demonische macht zal kunnen standhouden tegen een mens die ontdekt heeft en gelooft wie hij is in Jezus, die zich gedekt weet door het Bloed van het Lam en vervuld met Gods Geest.

Als een gelovige op het Woord Gods staat en hierin heeft ontdekt wat God zegt wie hij is in Christus en wat hij vermag in Christus (Philip. 4: 13), zal hij in een gezagspositie staan tegenover duistere machten. Van Jezus werd gezegd dat Hij “een nieuwe leer met gezag” (Mark. 1: 27) bracht, in dit gezag mogen wij ook staan en dit gezag uitoefenen. Wanneer u twijfelt (Jac. 1: 5-8), of in eigen kracht of vanuit eigen verontwaardiging de machten bestrijdt, zullen zij niet wijken en u in gevaar brengen. Maar wanneer u geleerd hebt door de Heilige Geest (“Maar de Heilige Geest, dien de Vader zenden zal in Mijn naam, die zal u alles leren . .. “) (Joh. 14: 26), welke plaats u door genade en rechtens het volbrachte werk van Golgotha mag innemen in het Koninkrijk Gods, als gevolmachtigde optredend – in Jezus’ Naam -, zult u ook op dezelfde wijze worden gehoorzaamd door de machten, als Jezus. U treedt hem niet in uw eigen naam tegemoet, want daarin is geen overwinning, doch in Jezus’ Naam, de Naam van de Zoon van God. Daar zijn geen grenzen aan Jezus’ macht! Dit is geen aanmatiging, hoogmoed, dit is de plaats die u moogt innemen met Jezus in de troon, als heerser (Ef. 2: 6), “boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en allen naam” (Ef. 1 : 21). Dit is de machtspositie bekleden in Jezus Christus, aan Wien “is gegeven alle macht in hemel en op aarde” (Matth. 28 : 18). U moet niet denken, dat dit is weggelegd voor een enkele begenadigde, uitverkoren geloofsheld met buitengewone volmachten Gods, neen, elke eenvoudige ziel, elke man, elke vrouw, elke schooljongen, elk meisje die weet – dat kan alleen de vervulling met de Heilige Geest iemand doen zien – wie hij of zij is in Jezus, die gezien heeft welke positie, rechtspositie, machtspositie hij heeft in Hem, zal ervaren dat de demonen voor hem en haar zullen wijken. Wij hebben een wettelijk recht om vrijelijk de Naam van Jezus te gebruiken, want Hij kocht ons vrij door Zijn bloed en maakte ons tot nieuwe scheppingen, waardoor wij deel hebben gekregen aan de Goddelijke natuur (11 Petr. 1: 4), Hij deed de Heilige Geest in ons wonen (Joh. 14: 17, 19 en 23). Wij hebben grote macht van God gekregen. “Zie, Ik heb u macht gegeven om op slangen en schorpioenen te treden en tegen de gehele legermacht van den vijand en niets zaJ u enig kwaad doen” (Luk. 10: 19).

Vroeger was Satan onze heer en waren wij gebonden slaven der zonde, maar thans zijn wij vrijgekocht door het Bloed van het Lam en tot zonen Gods verkoren, in Gods familie ingelijfd, is dat niet wonderbaar? Glorie! Thans zijn wij overgezet uit het rijk der duisternis in het rijk des lichts. En thans hebben wij de opdracht en de kracht om in te breken in het huis van de sterke en de sterke te binden en de geroofde vaten (de door Satan gestolen zielen) terug te brengen tot de oorspronkelijke eigenaar: Jezus Christus (Mark. 3: 27). Satan heeft zijn leugen politiek zo lang en frequent gevoerd, dat wij inderdaad zijn vergeten wie wij zijn en hierdoor heeft hij voordeel op ons behaald. Maar thans gaan steeds meer gelovigen herontdekken wie zij – bijbels gezien – zijn, wat zij – bijbels gezien – vermogen, zij nemen hun verlaten stellingen tegen Satan weer in, zij gaan weer over tot de strijd. Jezus wist wie Hij was in de Vader en trad onversaagd op tegen de vernietigende kracht van Satan: “Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou” (I Joh. 3: 8). Eerst kwam Hij om de werken van Satan te verbreken, later zal Hij met Satan-zelf afrekenen (Openb. 20: 2). Jezus “dreef de geesten uit met Zijn Woord” (Matth. 8 : 16) en gaf deze macht ook aan Zijn discipelen. “En Hij riep Zijn twaalf discipelen tot Zich en gaf hen macht over onreine geesten om die uit te drijven” (Matth. 10: 1). Zijn bevel was: “Gaat en predikt en zegt: Het konirikrijk der hemelen is nabij gekomen. Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen, drijft boze geesten uit” (Matth. 10: 7, 8).

“Wat is dit? Een nieuwe leer met gezag! Ook de onreine geesten geeft Hij bevelen en zij gehoorzamen Hem!” (Mark. 1: 27). “En Hij genas velen, die ernstig ongesteld waren door allerlei ziekten en vele boze geesten dreef Hij uit” (Mark. 1: 34). “En Hij ging prediken in hun synagogen in heel Gali1éa en de boze geesten dreef Hij uit” (Mark. 1 : 39). “En de onreine geesten wierpen zich voor Hem neder, telkens als zij Hem zagen, en zij schreeuwden, zeggende: Gij zijt de Zoon van God” (Mark. 3: 11). “En Hij riep de twaalven tot Zich en begon hen uit te zenden, twee aan twee, en gaf hun macht over de onreine geesten” (Mark. 6 : 7). “En zij vertrokken en predikten, dat zij zich zouden bekeren. En zij dreven vele boze geesten uit en zalfden vele zieken met olie en genazen hen” (Mark. 6 : 12, 13). “En de twee en zeventig zijn teruggekeerd met blijdschap en zeiden: Heer, ook de boze geesten onderwerpen zich aan ons in Uw naam. Zie, ik heb u macht gegeven om op slangen en schorpioenen te treden en tegen de gehele legermacht van de vijand; en niets zal u enig kwaad doen” (Luk. 10: 17 en 19). Van Philippus in Samaria wordt verteld: “Want van velen, die onreine geesten hadden, gingen deze onder luid geroep uit” (Hand. 8 : 7). Van Paulus staat geschreven: “En God deed buitengewone krachten door de handen van Paulus, zodat … de boze geesten uitvoeren” (Hand. 19 : 11, 12).“De God nu des vredes zal weldra de Satan onder uw voeten vertreden” (Rom. 16: 20). “Hij heeft de overheden en machten ontwapend en openlijk ten toon gesteld en zo over hen gezegevierd” (Col. 2: 15).

Zij hebben hem (de aanklager) overwonnen door het Bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis” (Openb. 12: 11). De Bijbel is Gods Woord en daarom heeft elk woord een meerwaarde en blijft geldig en geldend voor elkeen, voor alle tijden. Het is Gods waarachtig en onveranderlijk Woord en spreekt ons vandaag even zo indringend, geweldig en persoonlijk aan als in het verleden anderen werden aangesproken. Alle beloften blijven voluit geldig, ,ja en amen”, voor elke gelovige in Jezus Christus. Daarom dienen wij Gods woord ook geheel te aanvaarden voor vandaag en niet slechts datgene daaruit wat ons convenieert. Wij mogen het niet verknippen naar onze smaak, wij hebben niet het recht om de boodschap van de redding van zonden voor de wereld van vandaag, te accepteren uit de Bijbel en bijvoorbeeld Gods eis van de vervulling met de Heilige Geest, de Gave des Geestes o.a. het spreken in nieuwe tongen, het zalven van zieken tot genezing en het uitwerpen van boze geesten, niet voor heden te aanvaarden.

Wij kunnen niet een deel van het evangelie en de opdracht het uit te dragen, voor vandaag aanvaarden en het andere niet. Men zegt wel eens dat het door God gegeven dynamische begin van de jonge kerk door de vervulling met de Heilige Geest en het uitoefenen van de Gaven des Geestes, slechts de aandrijfkracht was om deze gemeente van Christus te vestigen en te legitimeren voor een heidense wereld. Maar dit is niet waar, ook vandaag wil de Heer der Kerk Zijn gemeente op dezelfde wijze legitimeren voor het ongeloof van de wereld, ook vandaag wil God met wonderwerken tonen dat Hij met Zijn volk is. Wij accepteren de HELE Bijbel als Gods Woord, de openbaring van Gods genade voor elke arme zondaar, zonder discussies of restricties, of wij dienen de Bijbel in iijn geheel af te wijzen. Men heeft niet het recht om volgens eenmaal geldende inzichten, overleveringen en interpretaties dit Woord van God te verzwakken. De Bijbel is Gods Woord voor onze generatie, evenals het dat was voor alle generaties, het is het actueelste boek dat bestaat en het heeft een wonderbare boodschap des vredes voor de mens, ook die in het atoomtijdperk, het heeft een heerlijk antwoord voor de typische problemen van de moderne mens van vandaag, omdat het een boodschap is voor het hart en het hart der mensen niet verandert. De Bijbel is dè waarheid en staat onaantastbaar boven alle meningen van mensen van alle tijden. Het is het Woord van genezing voor ziel, geest en lichaam, het is het Woord van de geest van God en de openbaring van Jezus Christus, de Verlosser. “Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid” (Hebr. 13: 8).

De opdracht actueel       

Als Jezus de opdracht geeft aan Zijn jongeren in Zijn tijd om boze geesten uit te drijven, dan geldt dat ook voor heden. Hij zal Zijn kinderen in deze strijd evenzo bijstaan als Hii dit deed vroeger. Hij zal Zijn overwinningskracht op dezelfde wijze in hen openbaren als weleer en hun getuigenis bevestigen door de tekenen die er op volgen (Mark. 16 : 20). Zijn opdracht blijft ook actueel voor vandaag: “Gaat heen in de gehele wereld, verkondigt het evangelie aan de ganse schepping. Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden, maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden. Als tekenen zullen deze dingen de gelovigen volgen: in Mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven, in nieuwe tongen zullen zij spreken, slangen zullen zij opnemen, en zelfs indien zij iets dodelijks drinken, zal het hun geen schade doen; op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen genezen worden” (Mark. 16: 15-18). Achter de opdracht staat de Meester zelf. Dacht u dat de Heer een zo wereld-omvattende en gevaarlijke opdracht aan Zijn discipelen achterliet en hen niet tevens de kracht en bekwaamheid schenkt om deze uit te voeren? Ja, dat heeft Hij, Hij schonk hun de volheid van de Heilige Geest dat als een kracht in hun leven kwam, overwinningskracht tegen de boze. Kracht om de demonieën te overwinnen, de werken van Satan neer te slaan en de wonden die hij sloeg te helen. “Want het Koninkrijk Gods bestaat niet in woorden, maar in kracht” (I Cor. 4 : 20). Wij hebben deze kracht niet van nature, doch door de vervulling met de Heilige Geest (Hand. 1 : 8). Wij hebben deze persoonlijke en reële vervulling met de Heilige Geest niet geweten of gewenst en waren – uit armoede – wel genoodzaakt om het Koninkrijk Gods een zaak van woorden, van onze lege, vrome, krachteloze en gedevalueerde woorden te maken. Geen wonder dat de demonen onbelemmerd hun gang kunnen gaan.

Daarom ook zijn wij vreesachtig voor Satan en hebben, machteloos als wij zijn, iedereen en overal gewaarschuwd: pas op, pas op voor de satanische machten, strijdt daar niet tegen! En Satan vindt dit wel goed zo, de officiële vrees van de officiële christenen geeft hem vrijheid om zijn heilloos handelen ongestoord voort te zetten en wij zien met ontzetting wat hij doet in deze dagen. Hij brengt de vrijzinnige gedachte in de kerken die het Bloed van Jezus afwijst; hij brengt alles “in discussie”, tot onderwerp van debat, want men kan alles, ook het heerlijkste en verwonderlijkste in het evangelie en in de persoon van Jezus Christus kapot redeneren. Hij voert de verwereldlijking steeds verder in de kerken door, de twijfel wordt er ingebracht aan de waarde van de uitspraken en beloften van Jezus, zij zouden geestelijk, symbolisch moeten worden benaderd. Hij schuift de dingen des Geestes uit onze tijd naar het verleden terug. Hij ontluistert en ontkent de wonderen van Gods hand als suggestie.

Hij organiseert alles en allen tot perfect sluitende vormen waar de Heilige Geest niet in volkomen vrijheid werken kan. Hij brengt een overwaardering aan de sacramenten der kerk, bij gebrek aan heerschappij en leiding van de Heilige Geest. Hij voert allerlei menselijke tradities en overleveringen in het leven der gemeente in, die niet in zuivere overeenstemming zijn met Gods Woord. Hij doet u afzien van de beslissing, de overgave aan Jezus en achter Hem alléén te gaan, dit grote geestelijke avontuur binnen te gaan van te leven uit Gods onfeilbaar Woord en uit Zijn beloften. Hij brengt vrees voor menselijke opinie en kritiek daarvoor in de plaats. Hij weerhoudt u van dit gelovige, eenzame wandelen met Jezus, inplaats van alle beschermingen, garanties en zekerheden die de mensen u suggereren. Er is een ontstellend gebrek aan kennis.“Mijn volk gaat ten gronde door gebrek aan kennis” (Hos. 4: 6). Geen intellectuele kennis, maar kennis inzake de dingen van het Koninkrijk.

Wij gaan ten gronde, zegt God. Wij worden door Satan ten gronde gericht als wij vergeten zijn wie wij zijn in Jezus Christus. Maar als wij uit genade dit (weer) leren verstaan, verlicht door de Heilige Geest, zullen wij geen vrees hebben in de strijd tegen de geestelijke boosheden in de lucht. Het wordt hoog tijd dat mannen Gods inzicht krijgen in de wereld van demonie en een aanvang maken deze te bestrijden met de door God daarvoor aangewezen wapenen. Wij hebben dikwijls gezien hoe eenvoudige mensen met geloof in de macht van Jezus, demonen bonden en uitdreven. Sta niet toe dat de vrees voor Satan u ophoudt tegen hem te strijden, herinner hem scherp en voortdurend er aan dat hij een overwonnen vijand is, door Golgotha’s overwinning. Ik heb mensen van alle leeftijden bevrijd zien worden van boze geesten, door gelovig gebed, zalving, binding, avondmaal. Wanneer demonen herkend zijn geworden, zijn zij reeds half overwonnen, daartoe gebruiken wij de wonderbare gave – een door God gegeven bekwaamheid – van het onderscheiden van geesten (I Cor. 12: 10).

Waartoe onderscheiding, identificatie? Om te weten welke vijand tegenover ons staat, welke duistere persoonlijkheid hij is, en hoe hem te bestrijden. Menige belangrijke demon, vorst of overheid draagt een naam, deze naam te weten doet hem gemakkelijker binden en uitwerpen; wanneer hij openbaar geworden is en zijn naam genoemd, is zijn macht half gebroken. Het is voor de gemeente des Heren een zaak van zijn en niet zijn om dit gebrek aan kennis aan te vullen en weer een gemeente te worden als in de dagen van Paulus, vol van de Heilige Geest en kracht. Daar waren eenvoudige mensen, “zijn niet al dezen, die daar spreken, Galileeërs?”(Hand. 2 : 7), mannen en vrouwen vervuld met de Heilige Geest, zij deden grote daden voor God. In Hand. 6 : 5 -7 lezen wij van Stephanus, hij had een bescheiden functie in de gemeente als diaken, maar: “Stephanus, een man vol van geloof en Heilige Geest, vol van genade en kracht, deed wonderen en grote tekenen onder het volk.” Hij was niet vol fysieke kracht, als een Simson, maar vol kracht des Heiligen Geestes en deed wonderen, dit is het kenmerk van een pinksterleven. Wij moeten ons reinigen van alle valse menselijke leringen en terug gaan naar Gods Woord om de gaven en vruchten van de Heilige Geest terug te zoeken, wij moeten ons voor Gods eisen eenvoudig buigen in ootmoed en overgave en de Heer der Kerk bidden ons te vervullen met de Heilige Geest en met vuur. Dan zullen ook wij door de Heilige Geest geleerd worden en ingeleid in de bedieningen, opdat ook wij succesvol kunnen optreden tegen de boze machten in ons midden.

In de hemelse gewesten    

“Wij strijden niet tegen vlees en bloed, maar tegen de boze geesten in de hemelse gewesten” (Ef. 6: 12). Waar is de verblijfplaats van deze onreine machten van Satan? In de hemel? Het spreekt vanzelf dat waar hier gesproken wordt van hemelse gewesten, regionen, niet de plaats wordt bedoeld waar God woont, de hemel als plaats van godzaligheid, het huis des Vaders met zijn vele woningen (Joh. 14: 2). Jezus zegt: “En wanneer Ik u plaats bereid heb, kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben” (Joh. 14: 3). De Heer is heilig en vlekkeloos, Hij zal niet in hetzelfde huis wonen waar Satan verblijft, daarom moet u “de hemelse gewesten” in de eerste plaats niet zien als de plaats van God, doch het luchtruim, het universum. In Job 1: 6 zien wij dat onder de “zonen Gods” (dat zijn de aartsengelen, de vorsten des lichts, de mede-regeerders van God) Satan verschijnt, hij staat daar tussen Michaël (“een der voornaamste vorsten” – Dan. 10: 13) “uw vorst Michaël” (Dan. 10 : 12). (Michaël is de speciale beschermer en voorstrijder van Israël: “de grote vorst, die de zonen van uw volk terzijde staat” (Dan. 12: 1); en Gabriël, de verkondiger (“Ik ben Gabriël, die voor Gods aangezicht sta en ik ben uitgezonden om tot u te spreken en u deze blijmare te verkondigen” (Luk. 1 : 19), “nu werd de engel Gabriël van God gezonden naar een stad in Galilea” (Luk. 1: 26); en andere hemelse vorsten voor Gods aangezicht. Satan staat daar tussen, hij dringt zich daartussen ofschoon hij als rebel Gods van zijn plaats weggelopen was, in de oppositie ging en Gods directe en consequente tegenstander werd.

God laat hem daar toe, souveréin als Hij is, maar dat is niet zijn plaats, zijn plaats zal zijn de poel van vuur en zwavel (Openb. 20 : 10), waar hij en zijn engelen terechtkomen. Het terrein van de laatste eindstrijd is het luchtruim, waar de machten der duisternis strijden tegen de Koning van het Koninkrijk der hemelen: Jezus Christus. En vanuit deze regionen komen de boze geesten de mensen bestrijden in ziel, geest en lichaam. Deze strijd is een spirituële strijd van geest tegen geest, van geest tegen Gods geest, de geest van de antichrist tegen de geest van Christus en deze strijd wordt op duizend fronten uitgevochten, op alle gebieden en er is niets en niemand die buiten deze strijd blijft. Jezus Christus – en dat is zeker – is Overwinnaar in deze strijd. God heeft Christus uit de doden opgewekt “om Hem te zetten aan Zijn rechterhand in de hemelse gewesten, boven alle (satanische) overheid en macht en kracht en heerschappij en allen naam” (Ef. 1 : 20, 21) en ook wij, kinderen Gods zullen deze plaats innemen. Hij “heeft ons MEDE een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus” (Ef. 2: 6). De plaats die Jezus ons bereiden zou (Joh. 14: 3) is niet een woning der rust zonder meer, doch een plaats in Zijn troon als mederegeerder.

Oorspronkelijk heeft God ons als heersers gedacht en bestemd (Gen. 1: 26), Jezus de grote Heelmeester, Hersteller aller dingen, brengt ons weer op die oorspronkelijke plaats terug, als wij in Hem zijn. “Zijn wij nu kinderen, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God en medeerfgenamen (van een troon) van Christus; immers, indien wij delen in Zijn lijden, is dat om ook te delen in Zijn verheerlijking” (regering) (Rom. 8 : 17). Zo lang Jezus Christus ons niet vrijgemaakt heeft (“waarlijk vrij” – Gal. 5 : 1) en nog niet tot zonen Gods gemaakt heeft, blijven wij als slaven (der zonde) buiten deze positie in de troon buitengesloten. “Ik bedoel dit (zegt Paulus), zo lang de erfgenaam onmondig is, verschilt hij in niets van een slaaf, al is hij ook eigenaar van alles; Zo bleven ook wij, zo lang wij onmondig waren, onderworpen aan de wereldgeesten. Maar toen de volheid des tijds gekomen was, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, om hen, die onder de wet waren, vrij te kopen, opdat wij het recht van zonen zouden verkrijgen. En dat gij zonen zijtGod heeft den Geest Zijns Zoons uitgezonden in onze harten, die roept: Abba, Vader, Gij zijt dus niet meer slaaf, doch Zoon; indien gij zoon zijt, dan zijt gij ook erfgenaam door God” (Gal. 4: 1-7). Wij zijn erfgenamen van de macht van God en mede-erfgenamen van Christus’ Koninkrijk waarin wij een machtspositie hebben verkregen. “Weet gij niet, dat de heiligen der wereld zullen oordelen?” (I Cor. 6: 2). “Weet gij niet, dat wij over engelen oordelen zullen?” (I Cor. 6: 3).

Het is niet verwonderlijk dat Satan zijn heerschappij en strijd in de lucht, “de hemelse gewesten” voert, omdat hij weet dat deze “hemelse gewesten” het machtsterrein zijn van Christus en door en in Hem, van ons. Het is duidelijk dat Satan de kinderen Gods deze macht betwist met alle middelen waarover hij beschikt en dat hij dit grote terrein van het luchtruim voor zichzelf wil behouden. Vooral doet hij dit omdat in dit luchtruim de wonderbare ontmoeting zal plaats vinden van Jezus en de gemeente, de onvergelijkelijk heerlijke toevergadering van alle kinderen Gods en haar hemelse Bruidegom. “De Heer zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van den hemel, en zij die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan; daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, den Heer tegemoet in de lucht, en zo zullen wij altijd met den Heer wezen” (I Thess. 4: 16, 17). Satan poogt in de eindtijd met alle mogelijke fantastische manoeuvres (ruimteschepen, ufo’s) in de lucht de aandacht van Jezus’ wederkomst af te leiden.

De geestelijke boosheden in de lucht, de boze geesten in de hemelse gewesten zijn Satans legerscharen, die met alle strategisch raffinement de heerschappij willen voeren, ofschoon zij dit terrein zullen moeten afstaan aan degenen die er rechtmatige eigenaars van zijn: Gods kinderen.“Daarom, niemand beroeme zich op mensen; alles is immers het uwe: hetzij wereld, leven en dood, hetzij heden of toekomst, het is alles het uwe; doch gij zijt van Christus, en Christus is van God” (I Cor. 3: 21-23). Het volk Israël is het symbool, het schaduwbeeld van de Gemeente. Als het volk Israël uit het diensthuis Egypte (de toestand der gebondenheid aan de zonde) uitgeleid is en onder aanvoering van Jozua, maar vooral door de wolkkolom, het beeld van de leiding des Geestes, ingeleid werd in Kanaän, het beloofde land dat als een erfdeel gegeven was, ontmoet het allerlei vorsten, vijanden en obstakels. God had het land gegeven als erfdeel, maar zij moesten de vijandelijke machten bestrijden en overwinnen, alle: “overheden, machten, krachten, namen, heerschappijen.” Ofschoon zij hen toebehoorden moesten zij ze toch bestrijden en overwinnen. Deze machten zijn onder Gods heerschappij gesteld, maar onder aanvoering van Jezus (Jozua is hetzelfde woord als Jezus, in het hebreeuws) moeten wij nu zelf het beloofde land van deze machten zuiveren.

In Jezus’ Naam moeten wij de vorsten in “de hemelse gewesten”, in ons gebied, gevangen nemen, overmeesteren en onschadelijk maken. Alle machten en alle dingen zullen – ook uiterlijk – onder de heerschappij van Jezus Christus komen, Hij die alle hemelse gewesten is doorgegaan om Zijn koningschap te vestigen als Koning en Hogepriester (Hebr. 4: 14). Alles zal buigen voor Zijn eer en heerlijkheid. “Ja, elk der vorsten zal zich buigen en vallen voor Hem neer.”“Hij is het beeld van den onzichtbaren God, de eerstgeborene der ganse schepping, want in Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen (in de hemelse gewesten) en die op de aarde zijn, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij machten: alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen: en Hij is voor alles en alle dingen hebben hun bestaan in Hem; en Hij is het Hoofd van het Lichaam, de Gemeente” (Col. 1: 15-18). Jezus is de Schepper, Hij het Woord, de Heer en de Koning, over alles en allen, op aarde en in de hemelse gewesten. “Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde”, zegt Jezus (Matth. 28: 18). “Looft den Heer, al Zijn werken aan alle plaatsen Zijner heerschappij” (Ps. 103 : 22).

Welke machten zijn dit?  

Paulus schrijft in Efeze 6 niet zonder meer over boze geesten in het algemeen, maar preciseert de machtsverhoudingen, de gradaties en variaties. Hij spreekt niet over kleine kwelgeesten, slaapgeesten of afleidende geesten, maar direct over grote machten en overheden. “Want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten” (Ef. 6 : 12). Er zijn in het rijk van Satan vorsten over vorsten, machten over machten, namen over namen. Er heerst een zeker soort orde, een angst-regiem, evenals dit bij het communisme heerst en dat een zekere éénheid schept. Vrees voor de machtige en wrede Gestapo bracht een kadaver-discipline voort. Zo is ook angst een samenbindende kracht in het rijk der duisternis.“En indien de Satan opstaat tegen zichzelf en verdeeld is, kan hij niet bestaan, doch is hij aan zijn einde” (Mark. 3 : 26). Op deze wijze regeert Satan en de angst voor hem doet aan hem gehoorzamen. Er zijn vele soorten van geesten in de “hemelse gewesten”; boze geesten, onreine geesten, allerlei geesten van ziekte. In de Bijbel worden verscheidene genoemd. “Die gekweld werden door onreine geesten werden genezen” (Luk. 6 : 18). “En de onreine geest deed hem stuiptrekken en ging onder groot geschreeuw van hem uit” (Mark. 1: 26). “En toen Jezus zag, dat de schare samenstroomde, bestrafte Hij den onreinen geest en zeide tot hem: Gij, stomme en dove geest, Ik beveel u: ga van hem uit en kom niet meer in hem” (Mark. 9 : 25). Lucas, de dokter, “de geliefde geneesheer” (Col. 4: 14), noemde vallende ziekte, epileptie, een bozen geest. “En nog terwijl hij naderbij kwam, wierp de boze geest hem op den grond en deed hem stuiptrekken. Maar Jezus bestrafte den onreinen geest en Hij genas den knaap en gaf hem terug aan zijn vader” (Luk. 9 : 42). “En Hij was bezig een bozen geest uit te drijven en deze was stom” (Luk. 11: 14). “En zie, er was een vrouw, die reeds achttien jaren een geest van zwakheid had en verkromd was en zich in het geheel niet kon oprichten” (Luk. 13 : 11). Er is een geest van de antichrist, “En dit is de geest van de antichrist” (I Joh. 4: 3); een geest der slavernij. “Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen” (Rom. 8 :.15); een geest van dwaling, “Hieraan onderkennen wij den Geest der waarheid en den geest der dwaling” (I Joh. 4: 6) (11 Thess. 2: 11); een geest van lafhartigheid, “Want God heeft ons niet gegeven een geest van lafhartigheid” (11 Tim. 1: 7); een geest van jaloersheid, “Wanneer dan de geest der jaloersheid over hem komt” (Num. 5: 14); geest van ontucht, “Want een geest van ontucht doet hen dwalen” (Hos.4: 12, Hos. 5: 4); geest van diepe slaap, “God gaf hun (over aan) een geest van diepen slaap” (Rom. 11: 8), “Want de Heer heeft een geest van diepen slaap over u uitgestort” (Jes. 29 : 10); een geest van bedwelming, “De Heer heeft hun een geest van bedwelming ingegoten” (Jes. 19: 14).

Er zijn geesten van naijver, kwaadsprekerij, twist en tweespalt, zinnelijke geesten, geesten van moord en zelfmoord, geesten van vernietiging, geesten van zwaarmoedigheid, hallucinatie, obcessie, sombere geesten, gemelijke geesten, sadistische geesten, verschillende soorten geesten van krankzinnigheid, verdrukking, fixatie. Er zijn bedriegelijke geesten, misleidende geesten in velerlei vorm, maniakale geesten, excentrieke geesten, geesten van waarzeggerij, bedwelming, verdoving, perversie, er zijn geesten van kritiek en van uitstel, vele soorten van onreine, geesten. Er zijn geesten van snelheid (“snelheidsduivel”) die de chauffeur en de vliegenier harder en harder en nog harder voortdrijft, maar ook geesten van traagheid die een mens steeds langzamer en trager en trager doet denken en reageren, zijn levensritme langzaam geheel tot stilstand brengt en in apathie doet wegzinken. Er zijn geesten die een vaste woonplaats hebben in de mens, stationair zijn, er als het ware wonen en geesten die voortdurend in en uit gaan. Er zijn lastergeesten die niet ophouden de mensen te kleinéren, beledigen en antipathie zaaien, vriendschap verbreken, liefde vernietigen door kwaadsprekerij.

Er zijn geesten die de mensen van hun werk pogen af te houden zodat zij nimmer afmaken wat zij begonnen zijn. Er is een geest van vergeetachtigheid, van altijd te laat komen, er zijn tragische geesten, maar ook komische, ridicule, er zijn religieuze geesten en ook aardse geesten. Er zijn geesten die de mensen bezorgd maken (zorgengeesten), andere die de mensen onverschillig maken. Er zijn grote machten die niet gemakkelijk uit te drijven zijn en alleen met voortdurend bidden en vasten gebonden kunnen worden en een menigte van kleine kwel-, wrevel- en afleidende geesten. Er zijn vele soorten van ziektemachten, kanker is een zeer reële en duidelijke macht van Satan en tumoren, asthma, neurotische ziekten, verlammingen, verstijvingen, diabetis, exceem, verkrampingen, migraine enz. enz. Niet alle ziekten zijn machten van Satan, een gebroken been is dit natuurlijk niet, deze lichaamsdelen moeten “verzoend” worden. Er zijn vele soorten seksuele geesten,sadistisch~·en tegennatuurlijke geesten, geesten van pijniging en van machteloosheid evenals van dèsinteresse, het is duidelijk dat op dit gebied de Satan vele troeven uitspeelt. Er zijn regionale machten die gebonden zijn aan een bepaalde plaats of stad of landstreek. De bezetene in het land der Gerasénen werd aangesproken door Jezus en de machten, “wij zijn talrijk”, “smeekten Hem dringend hen niet buiten het land te zenden” (Mark. 5 : 10). Maar er zijn ook machten die over de hele wereld zwerven. Het is niet te noemen hoeveel en welke geesten er zijn, op alle gebied zijn zij er.

Religieuze demonen  

Ik wil toch nog op een bepaalde soort geesten wijzen die zeer gevaarlijk zijn en de Gemeente niet weinig schade toebrengen, zij zullen veelvuldiger en met groter raffinement optreden naarmate de eindtijd vordert, het zijn de “vrome” geesten, religieuze demonen. Satan speelt in deze tijd een sinister schaduwspel met de openbaring van Jezus Christus in de Gemeente. Hij openbaart zich op zodanige wijze dat de onvoorzichtige, vleselijke christen, zij die geen kennis hebben van de Bijbel en in de dingen van Gods Koninkrijk, hem niet herkent en denkt met de Heer te doen te hebben. “Immers, de Satan zelf doet zich voor als een engel des lichts” (11 Cor. 11: 14). Pas op voor de valse profeten! “Wacht u voor de valse profeten, die in schapenvacht tot u komen, maar van binnen zijn zij roofgierige wolven” (Matth. 7 : 15). Satan zal in de eindtijd Jezus Christus in alles imiteren en velen in verwarring brengen. “Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen grote tekenen en wonderen doen” (Matth. 24: 24). “Maar de Geest zegt nadrukkelijk, dat in latere tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, doordat zij dwaalgeesten en leringen van boze geesten volgen, door de huichelarij van leugensprekers, die in hun eigen geweten gebrandmerkt zijn, het huwelijk verbieden en het genot van spijzen, enz.” (I Tim. 4: 1-3).

“Want er komt een tijd, dat de mensen de gezonde leer niet meer zullen verdragen, maar omdat hun gehoor verwend is, naar hun eigen begeerte zich tal van leraars zullen bijeen halen, dat zij hun oor van de waarheid zullen afkeren en zich naar de verdichtsels (valse, leugenachtige filosofieën van Satan) keren” (11 Tim. 3,4). Misleidende geesten, die Gods volk vervoeren met een bloed-loze theologie en het zoonschap Gods van Jezus loochenen. “Toch zijn er ook valse profeten onder het volk geweest, zoals ook onder u valse leraars zullen komen, die verderfelijke ketterijen zullen doen binnensluipen” (11 Petr. 2: 1). “Want met holle, hoogdravende klanken verlokken zij door vleselijke begeerten en door ongebondenheid hen, die zich ternauwernood aan degenen, die in dwaling verkeren, onttrekken. Vrijheid spiegelen zij voor, hoewel zij zelf slaven des verderfs zijn; immers door wien men overmeesterd is, diens slaaf is men” (11 Petr. 2 : 18, 19).

Satan maakt slaven, spiegelt de vrijheid voor, maar bindt en neemt gevangen. 0, “laten wij dan de werken der duisternis afleggen en aandoen de wapenen des lichts” (Rom. 13 : 12). Het is zeer noodzakelijk de door God gegeven bekwaamheid van het onderscheiden van geesten te gebruiken, opdat wij door deze Gave van de Geest de geesten herkennen en er ons niet door laten verleiden. Een gave van onderscheiden van mensen bestaat niet, maar wel van (boze, misleidende) geesten. Het onderscheiden van geesten is wat anders dan het uitwerpen van geesten, u gebruikt er een andere gave voor, de identificatie doet de vijand herkennen, dit leidt de strijd in, u weet wie zich tegenover u bevindt. Zonder deze Goddelijke gave van het onderscheiden van geesten, – deze gave kunt u slechts ontvangen indien u vervuld bent met de Heilige Geest -, kunt u heel deze religieuze tactiek van de vijand niet doorzien. Natuurlijke intelligentie, scherpzinnigheid, zal deze werken van de vorst der duisternis niet opmerken, u hebt er een speciale Gave van de Geest voor nodig. Satan kent de Bijbel en zal met Bijbelwoorden Gods kinderen in verwarring brengen, hij zegt ook: “er staat immers geschreven” (Matth. 4 : 6). Het is dringend noodzakelijk dat wij eindelijk in ons leven de heerschappij aan Satan betwisten, zijn dienstbaarheid opzeggen en in de vrijheid komen. Daartoe heeft Christus ons vrijgekocht, opdat wij waarlijk vrij zullen zijn (Gal. 5 : 1). “Want al leven wij in het vlees, wij trekken niet ten strijde naar het vlees, want de wapenen van onzen veldtocht zijn niet vleselijk, maar krachtig voor God tot het slechten van bolwerken, zodat wij de redeneringen en elke schans, die opgeworpen wordt tegen de kennis van God, slechten, elk bedenksel als krijgsgevangene brengen onder de gehoorzaamheid aan Christus, en gereed staan, zodra uw gehoorzaamheid volkomen is, alle ongehoorzaamheid te straffen” (11 Cor. 10: 3-6).

De Wapenen

Paulus noemt de wapenen op die wij in de strijd tegen Satan moeten hanteren.

Het zijn zeven wapenen; vijf afweerwapens en twee aanvalswapens.

Er is afweer, defensief: ,,Biedt wederstand aan den duivel, en hij zal van u vlieden” (Jac. 4: 7),maar ook aanval, offensief: ,,In Mijn Naam zullen zij boze geesten uitdrijven” (Mark. 16 : 17).Beide, afweer en aanval, zoals bij elke strijd. Wij willen, alvorens de afweeren aanvalswapens, één voor één, te noemen, eerst nog wijzen op de houding die wij zullen aannemen in deze strijd, wij lezen er zo gemakkelijk overheen en het is toch zo belangrijk hierop aandacht te vestigen, alvorens de wapenrusting aan te gespen.

ln Ef. 6 : 14 begint de tekst aldus: ,,Stelt u dan op”. Dit behoort tot het zich wapenen. Sta op uw voeten! Wees paraat! Geef acht! Meld u present! Ontwaak gij die slaapt! ,,Om te kunnen standhouden”, moet men eerst tot staan komen. ,,Maar richt u op en sta op uw voeten” (Hand. 26: 16). ,,Heft dan de slappe handen op en strekt de knikkende knieën” (Hebr. 12 : 12). Wij zullen wakker zijn en er helemaal ,,bij”, weten waar het om gaat, bereid zijn ons geheel in te zetten, alle halfheid afgelegd, elke vermoeidheid overwonnen, alle teleurstelling, alles wat ons ophouden, belemmeren kan. ,,Laten wij afleggen alle last en zonde, die ons zo licht in den weg staat” (Hebr. 12 : 1), alles wat hindert, tegenstaat, opzij geschoven. Wij stellen ons op in het gelid van Gods geloofsdivisie, ons richtende op onze voorman Jezus, de Voorvechter. ,,Laat ons oog daarbij alleen gericht zijn op Jezus, den Leidsman en Voleinder des geloofs” (Hebr. 12 : 2).,,Stelt u dan op.” Deze weinige woorden staan er niet zó maar  als inleiding voor de bewapening, maar het is de zeer noodzakelijke eis dat wij ons bewust opstellen in gesloten slagorde en naast ons zien alle andere soldaten van Christus. Als wij ons: present! melden, dan hoort dit het hele leger, evenals wij de namen horen noemen van onze medestrijders.

Het is niet een particulier oorlogje, maar onze gezamenlijke strijd, wij hebben ,,zulk een wolk van getuigen” (Hebr. 12 : 1). Het is de strijd van de leden van de Gemeente van Christus en wij zijn, naar Zijn belofte: meer dan overwinnaars! De engel des Heren zei tot Hagar in de woestijn van Berseba: ,,Sta op!” (Gen. 21 : 18) en zij begon daar een nieuw leven. Tot de vermoeide Elia werd in dezelfde woestijn gezegd door de engel: ,,Sta op!” (I Kon. 19 : 5) en hij ging veertig dagen en veertig nachten, tot aan de berg Horeb. De man in Bethesda, die achtendertig jaar ziek was, hoorde het bevel van Jezus: ,,Sta op!” (Joh. 5 : 8) en deze man genas, stond op en van dat tijdstip was hij een nieuw mens. De Heer riep tot de tegen de grond geslagen en uitgetelde Saulus, voor de poorten van Damascus: ,,Sta op en ga!” (Hand. 9 : 6), dit was de aanvang van de wonderbaar gezegende bediening van de apostel Paulus.

Wij moeten een goede start maken, recht op onze voeten staan, ons opstellen, met een vreesloos hart, in Jezus’ Naam, in Zijn overwinningskracht. Wanneer de strijd goed begint, zal hij ook in triomf eindigen. Wij dienen het Woord van God nauwgezet te gehoorzamen, ons buigen voor Zijn aanwijzingen en orders. ­,,En is iemand een kampvechter, dan ontvangt hij de krans alleen, als hij volgens de regels van den kamp heeft gestreden” (2 Tim. 2 : 5), volgens Gods orders, het Woord van God. ,,Laten wij dan de werken der duisternis afleggen en aandoen de wapenen des lichts” (Rom. 13 1 12).

De gordel der waarheid

Wanneer de oosterling zich in beweging zet, gordt hij zich de lendenen, hij schort met zijn gordeldoek het tot de voeten afhangend kleed wat op, zodat hij bij het voortgaan daarvan geen hinder ondervindt. Ook zo wil de Heer dat wij ons omgorden, ombinden met de waarheid. Jezus zegt: ,,Ik ben de weg, de waarheid en het leven” (Joh. 14:6). Wij willen ons met deze waarheid, die Jezus-zelf is, de Geest der waarheid, laten omgorden, laten gevangen nemen, laten verankeren. Niet de gevangene zijn wij van valse overleveringen en verkeerde inzichten, ingewortelde religieuze tradities, maar gevangene van de waarheid, slaaf van de waarheid, Jezus. Zoals wij ons vroeger lieten binden door de slavendrijver Satan, zo zijn wij nu slaven van de waarheid van Jezus. Voordat wij ten strijde trekken is dit de eerste eis: ons volkomen aan Jezus overgeven, aan Zijn macht ons binden, geheel van Hem vervuld zijn. De tegenstander, de vader der leugen, heeft ons zo lang de leugen, de halve leugen (dus de halve waarheid), de vertekening aangepraat, dat wij een geheel scheef getrokken beeld hebben gekregen omtrent de dingen des Heren. ,,Daarentegen is diens komst naar de werking des Satans (de imitator van God) met allerlei krachten, tekenen en bedriegelijke wonderen, en met allerlei verlokkende ongerechtigheid, voor hen, die verloren gaan, omdat zij de liefde tot de waarheid niet aanvaard hebben, waardoor zij hadden kunnen behouden worden” (2 Thess. 2:9-11). Tegen heel deze geraffineerde leugen-politiek, waarbij Satan niet schroomt de woorden en tekenen van God na te bootsen om van God te verleiden, af te leiden, dient men zich te omgorden met de waarheid. De leugen bindt ons aan de vader der leugen vast, maar de waarheid bindt ons aan Jezus, de Waarheid, vast. Indien wij op het Woord Gods als op de Waarheid, staan en blijven staan, wat er ook gebeuren zal de waarheid actief worden voor ons, iets voor ons doen. ,,Als gij in Mijn woord blijft, zijt gij waarlijk discipelen van Mij en gij zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrij maken” (Joh. 8 : 31-33). De waarheid moet ons vervullen. Paulus zegt: ,,Zo zeker als de waarheid van Christus in mij is” (2 Cor. 11 : 10). De waarheid van Christus, die ons vervult, is voorwaarde, eerste eis, alvorens de strijd aan te binden tegen de leugengeesten in de hemelse gewesten, de demonen die de waarheid van Christus’ overwinning aantasten. Aan de gordel hangt het zwaard, het zwaard des Geestes, het Woord, de waarheid van Jezus. Aan de gordels, de koppels  van de Duitse Wehrmacht in de laatste wereldoorlog waren de woorden aangebracht: ,,Gott mit uns!” De Duitse oorlogsleiders annexeerden God voor hun wereldlijke doeleinden van ,,vlees en bloed”, die daarom niet een strijd kon zijn van: ,,Gott mit uns”. Daarom verloor men deze strijd, het werd een vreselijk fiasco. ,,Gott mit uns” is de belofte voor een andere strijd, de geestelijke strijd van Gods kinderen tegen de geestelijke boosheden in de lucht, de demonen, Satan en zijn trawanten.

Het eerste afweerwapen van de wapenrusting Gods is de waarheid, de waarheid van het Woord Gods, het Koninkrijk Gods, de enige realiteit die het recht heeft de naam: waarheid, te dragen. Wij moeten leren verstaan waar het in werkelijkheid om te doen is. De Heer wil dat wij onze ogen open hebben voor de realiteit van deze strijd, onze opdracht is dat wij de leugen door de waarheid ontmaskeren, de duisternis van Gods licht doordringen. ,,Ik zend u, om hun ogen te openen ter bekering uit de duisternis tot het licht en van de macht van de Satan tot God” (Hand. 26 : 18). De waarheid verdraagt geen vertekening, geen dwaling. ,,Maar de Geest zegt nadrukkelijk, dat in latere tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, doordat zij dwaalgeesten en leringen van boze geesten volgen, door de huichelarij van leugensprekers” (I Tim. 4 : 1, 2). De Heer wil dat wij rechte voren trekken, ons door de waarheid laten omgorden, ons distanciëren van alle schone schijn; de Heer wil dat wij het licht hoog opheffen in de duisternissen en schemeringen van Satans leugenpolitiek. ,,Here, maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden, leid mij in Uw waarheid en leer mij, want Gij zijt de God mijns heils” (Ps. 25: 4, 5).

Het pantser der gerechtigheid

,,Bekleed met het pantser der gerechtigheid” (Ef. 6 2 14). Dit is niet het pantser van ,,onze” gerechtigheid, maar van Gods gerechtigheid, in Jezus Christus. Eertijds waren wij bekleed met het gehavende, onreine zondekleed, onze ongerechtigheid, maar toen kwam Jezus, nam, toen wij ons aan Hem overgaven, ons dat kleed af, kleedde Zichzelf daarmee en bekleedde ons met het reine kleed Zijner gerechtigheid. Hij nam mijn ongerechtigheid op Zich, ja Hij werd Zelf mijn ongerechtigheid, opdat ik zou worden: gerechtigheid Gods in Hem. Jezus is mijn Plaatsvervanger. Ik zou gekruisigd worden om mijn schuld tegenover God, maar Hij nam mijn schuld op Zich en werd gekruisigd voor mij. lk had het eeuwig oordeel op mij geladen, maar halleluja, mijn Plaatsvervanger kwam tussenbeide en nam het oordeel op Zich. Hij werd geoordeeld voor mij.

Toen Jezus opstond uit het graf, verheerlijkt, was Hij vrij van zonde, niet de Zijne, want die had Hij niet, maar van de mijne en was Hij vrij van de ziekte, niet de Zijne, maar die van mij. lk leef door Hem, uit Hem, uit Zijn genade en vergeving. Jezus kwam en stierf voor mij, opdat ik leven mag. Halleluja! Jezus bekleedde mij met Zijn gerechtigheid, Zijn heil, Zijn heerlijkheid. Hij pantserde mij daarmee. Wanneer de Satan schuld, zonde aan mij wil zoeken, zal hij stuiten op dit pantser. Dit is een ondoordringbaar pantser, de boze kan hier niets uitrichten, wanneer hij als ,,de aanklager van onze broeders” (Openb. 12:10) mij wil blijven aanklagen en mij wijst op mijn ongerechtigheid, mijn onrein kleed. ,,Als de Satan mij wijst op mijn schuld zeg ik: ,,Ja, maar ’t is alles genageld aan ’t kruis.” lk wijs op mijn gerechtigheid in Jezus, want God zegt het in Zijn Woord, dat ik door Jezus gereinigd en geheiligd ben. Er is ,,gerechtigheid Gods door het geloof in Jezus Christus, voor allen, die geloven” (Rom. 3 : 22). ,,Want Ik zal genadig zijn over ‘ hun ongerechtigheden, en hun zonden zal Ik niet meer gedenken” (Hebr. 8 : 12). ,,Maar om onze overtredingen werd Hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden. Wij allen dwaalden als schapen, wij wendden ons ieder naar zijn eigen weg, maar de Heer heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen neerkomen ” (Jes. 53 : 4-6). ,,Hem, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem” (2 Cor. 5 : 21).

Door Zijn gerechtigheid zijn wij voor de Vader even gerechtig geworden als Jezus, want Hij is onze gerechtigheid.  De scheiding tussen God en ons is overbrugd door Jezus Christus. Jesaja 59 : 1, 2 zegt: ,,Zie, de hand des Heren is niet te kort om te verlossen, en Zijn oor niet te onmachtig om te horen; maar uw ongerechtigheden zijn het, die scheiding brengen tussen u en uw God, en uw zonden doen Zijn aangezicht voor u verborgen zijn, zodat Hij niet hoort.” De vergeving kwam. Halleluja! ,,Loof den Heer, mijn ziel, en al wat in mij is, Zijn heiligen naam; loof den Heer, mijn ziel, en vergeet niet een van Zijn weldaden: die al uw ongerech tigheden vergeeft, die al uw krankheden geneest” (Ps. 103 : 1-3). Jezus maakt vrij van de ongerechtigheid door haar te vergeven. Hij maakt vrij door Zijn Bloed. Prijs de Heer. ,,Maar Gode zij dank: gij waart slaven der zonde, doch gij zijt van harte ge hoorzaam geworden aan dien vorm van onderricht, die u overgeleverd is; en, vrijgemaakt van de zonde, zijt gij in dienst gekomen van de gerechtigheid” (Rom. 6 : 17, 18).

Jezus heeft mij ,,bekleed met kracht uit den hoge” (Luk. 24: 49), bekleed met het ondoordringbare pantser van een volkomen verlossing, het pantser der gerechtigheid. Want ,,gij hebt u met Christus bekleed” (Gal. 3 : 27), met Christus gepantserd, beveiligd, verzekerd. Zo zullen wij overwinnen, hoe heet de strijd ook zal zijn, wat voor ervaringen wij zullen beleven. ,,Al vallen er duizend aan uw zijde, en tienduizend aan uw rechterhand, tot u zal het niet genaken” (Ps. 91 : 7). ,,Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwdheid, of vervolging of honger, of naaktheid of gevaar, of het zwaard? Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad” (Rom. 8 : 35 en 37).

De bereidheid van het evangelie des vredes

In Rom. 3 : 15 staat: ,,Snel zijn hun voeten om bloed te vergieten (vlees en bloed), verwoesting en ellende zijn op hun wegen”, in Ef. 6 : 15 schrijft dezelfde Paulus:  ,,De voeten geschoeid met de bereidvaardigheid van het evangelie des vredes.” Delendenen omgord, de voeten geschoeid, tekenen van bereidheid, van gereedheid om uit te gaan en getuigen te zijn: ,,Gaat heen in de gehele wereld, verkondigt het evangelie aan de ganse schepping” (Mark. 16 : 15). De voeten zijn geschoeid om uit te gaan en het evangelie des vredes te verkondigen, bereid om de laatste grote opdracht van Jezus die Hij voor Zijn hemelvaart aan Zijn jongeren gaf, uit te voeren. Het is niet de opdracht om een zoet en week humanisme te brengen naar de wereld, ,,laten wij zacht zijn voor elkander, kind!”, niet een arm, bloedeloos evangelie dat niet meer is dan een synthetische religie, vrijzinnige ethiek, sentimentaliteit, maar de levende kracht van het verlossende Bloed van Jezus Christus, de Zoon van God. Het Bloed van Jezus is de wonderbare medicijn dat God gaf voor een verloren wereld. Het evangelie van Jezus Christus is het grote, heerlijke antwoord, voor allen en voor alles.

Tot de wapenrusting Gods behoort de bereidvaardigheid om het Woord van de genade Gods te brengen aan arme, verloren zondaars. Getuigen te zijn. Een getuige is iemand die ,,het zelf gezien” heeft, die ,,er bij geweest” is. Een getuige kan iedereen zijn: de zakenman, de huisvrouw, het meisje, de schooljongen, de intellectueel, de eenvoudige in den lande, de oude, de jonge, allen. Als wij onze bereidheid geven aan de Heer des oogstes, zal Hij het gebruiken. Het is niet zo belangrijk of Hij ons zal zenden naar de klassieke heidenvelden in Centraal Afrika of wel naar de asfaltjungle van uw stad, uw mede-etagebewoners, uw kring, uw kantoor, fabriek of werkplaats, het belangrijkste is dat Hij u zendt. Het is Zijn zaak waarheen, onze zaak is het dat wij bereid zijn. Als u uitgaat en getuige bent, breng dan niets méér, maar ook niets minder dan het evangelie des vredes. Breng geen eigengevonden menselijke leringen, hoe religieus deze ook klinken, geen overleveringen, uitleggingen, diepzinnige theoretische beschouwingen, breng alleen: het evangelie des vredes. Discussieer niet, filosofeer niet, breng niet ,,uw” kerk of richting, breng geen voor u dierbaar onderdeel of specialiteit, breng alleen het eenvoudige en kostbare evangelie van Joh. 3:16, het evangelie van genade voor zondaren, vergeving, verlossing, een eeuwig leven, het evangelie van: ,,Vrede laat Ik u, mijn vrede geef Ik u; niet gelijk de wereld die geeft, geef Ik hem u” (Joh. 14 : 27). Niet de vredesconferenties, nonagressiepacten en veiligheidsraden van de wereld brengen de  vrede voor uw ziel, maar ,,Mijn vrede!” zegt Jezus. Een vrede van binnen, stilte uit Mij in de storm, deze ,,onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde” (1 Petr. 1 : 8), deze ,,volle verzekering: Jezus is mijn!”; een vrede die alle verstand te boven gaat.

Door het gelovig aanvaarden van de vergeving van zonde, verlossing van schuld, stroomt deze vrede ons hart binnen. Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in wien zij niet geloofd hebben? Hoe geloven in Hem, van wien zij niet gehoord hebben? Hoe horen zonder prediker? En hoe zal men prediken zonder gezonden te zijn? Gelijk geschreven staat: ,,Hoe liefelijk zijn de voeten van hen, die een goede boodschap brengen” (Rom. 10 : 14, 15). Paulus schrijft hier over dezelfde voeten als die ,,geschoeid zijn met de bereidvaardigheid van het evangelie des vredes.” Liefelijke voeten, gezegende voeten, bereidvaardige voeten, om de genade van Jezus uit te dragen, het evangelie des vredes.

 ,,Dit heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij vrede hebt” (Joh. 16 : 33). Door het woord der getuigenis komt de vrede tot ons, het wordt door de Heilige Geest naar ons toe gedragen, ,,maar het Woord, dat Hij heeft doen brengen . . . om vrede te verkondigen door Jezus Christus” (Hand. 10 :36). De wereld kent deze diepe, innerlijke vrede niet, omdat de wereld het terrein van Satan is, waar hij regeert met corruptie, onreinheid, wreedheid, misère, pijn, gebondenheid, van zonde en ziekte. ,,De weg des vredes kennen zij niet” (Rom. 3 : 17), maar zij zijn tot vrede geroepen, uitgenodigd. ,,Tot vrede heeft God u geroepen” (1 Cor. 7 : 15). ,,God is geen God van wanorde, maar van vrede” (I Cor. 14 : 33). Het evangelie des vredes is het evangelie van Jezus, Hij is onze vrede. ,,Bij Zijn komst heeft Hij vrede verkondigd aan u (de engelen zongen: vrede op aarde), die veraf waart, en vrede aan hen, die dichtbij waren” (Ef. 2 : 17), aan alle volken, overal het evangelie des vredes. Uit de verscheurdheid worden de zondaars weggeroepen tot de vrede van Jezus Christus, die het hart vervult. ,,De vrede van Christus, tot welken gij immers in één lichaam geroepen zijt, regere in uw harten” (Col. 3 1 15). ,,De vrede Gods die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten behoeden in Christus Jezus” (Phil. 4 : 7). ,,Hij, de Heer des vredes, geve u de vrede,  voortdurend, in elk opzicht” (2 Thess. 3 : 16). Jehova Shalom, de Heer des vredes.

Het schild des geloofs

,,Neemt bij dit alles het schild des geloofs ter hand, waarmede gij al de brandende pijlen van den boze zult kunnen doven” (Ef. 6 : 16). Ook het schild des geloofs is een afweerwapen tegen Satan. God is mijn schild. ,,Mijn schilt ende betrouwen sijt gij o God mijn Heer.” Mijn geloof in God is mijn schild. Ik ben geestelijk waard naarmate ik geloof, ik ben wat ik geloof. Ook bezit ik wat ik geloof, waarvoor ik geloof. ,,U geschiede naar uw geloof ” (Matth. 9 : 29). Geen geloof in mijzelf, maar in Jezus Christus, de Openbaring van Gods macht. Ik ben niet wat ik voel dat ik ben, niet wat de symptomen zeggen dat ik ben, wat ik verstandelijk denk te zijn, wat anderen zeggen dat ik ben, wat Satan, de aanklager, zegt dat ik ben; maar ik ben, mag zijn, kan zijn, wat ik geloof in God. ,,U geschiede naar uw geloof.” ,,De rechtvaardige zal door zijn geloof leven” (Habakuk. 2 : 4; Hebr. 10 : 38).

Let wel: door zijn geloof Niet door het geloof van anderen, maar door zijn persoonlijk geloof. Hij is wat hij gelooft, hij kan zoveel ontvangen als waarvoor hij God gelooft, niet minder. ,,Nooit kan het geloof te veel verwachten.” ,, Uw geloof heeft u behouden” (Matth. 9 : 22; Mark. 5 : 34; Mark. 10 : 52; Luk. 7 : 50; Luk. 8 : 48), zegt Jezus. Hij zegt tot Petrus in de paaszaal: ,,Simon, Simon, zie, de Satan heeft verlangd ulieden te ziften als de tarwe, maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet zou bezwijken” (Luk. 22 : 31, 32), dat uw schild des geloofs niet zou breken.

Petrus was een begeerd doelwit voor Satans offensieven, hoe zal Petrus zich beschermen? De strijd is ontbrand tegen deze onstuimige knecht van de Heer, zal hij waakzaam genoeg zijn; daarom bad zijn Hogepriester, zijn Advokaat, zijn Voorbidder voor hem, voor zijn geloof, voor zijn schild des geloofs. Een andere schildknaap Gods: Stephanus, staat sterk in de Heer. Er wordt van hem geschreven: ,,Stephanus, een man  vol van geloof en Heilige Geest ,… vol van genade en kracht, deed wonderen en grote tekenen onder het volk” (Hand. 6 : 5 en 8).Stephanus, de diaken, was vervuld met de Heilige Geest, hij had een machtige pinksterervaring in zijn leven gehad, hij wist wie hij was in Jezus, hij wist wat hij kon doen uit Hem, hij wist overwinningskracht uit de Heer te nemen en aan te wenden, tot verheerlijking van Zijn Naam. Alleen geestelijke, met de Heilige Geest vervulde mensen zien deze dingen, natuurlijk is dit niet te begrijpen (I Cor. 2 : 13, 14).

Het Sanhedrin, de grote Raad van Farizeeën en Schriftgeleerden, waarvoor Stephanus zich verantwoorden moest, ergerde zich aan zijn optreden en zijn getuigenis. Als Stephanus zijn rede houdt, zonder vrees, in de kracht van de Heilige Geest, beschuldigt hij tenslotte: ,, Gij verzet u altijd tegen de Heilige Geest, gelijk uw vaderen” (Hand. 7 : 51). ,,Toen zij dit hoorden, sneed het hun door het hart en zij knersten de tanden tegen hem” (Hand. 6 : 54). Stephanus stelde de strijd geestelijk van geest tegenover Gods Geest, wet tegenover genade, dood formalisme tegen kracht des geloofs, verstarring tegenover vrijheid; maar de officiële geestelijkheid aanvaardde dit niet, wierp hem uit, stenigde hem, zij maakten er weer een zaak van ,,vlees en bloed” van, gewoon als zij waren, ongeestelijk als zij waren, om alle problemen op deze manier op te lossen. Stephanus zag wat de Raad niet zag. Stephanus had het schild des geloofs en bleef geestelijk onaangetast, zoals Jezus aan het kruis, ondanks alle geweld, geestelijk onaangetast bleef. Jezus zegt: ,,Weest niet bevreesd voor hen, die wel het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden” (Matth. 10 : 28). ,,En allen, die in den Raad zitting hadden, zagen, toen zij hem aanstaarden, zijn gelaat als het gelaat van een engel” (Hand. 6 : 15).

Het schild van zijn geloof had het uitgehouden, het was niet gebroken ofschoon zijn lichaam gebroken werd. In deze geestelijke strijd overwint de Geest. ,,Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwonnen heeft: ons geloof” (1 Joh. 5 : 4). In de strijd waarover Paulus in Ef. 6 spreekt, is de overwinning door God gegarandeerd, het is een zekere, veilige zaak dat in de geloofsstrijd deze vijand overwonnen zal worden.  ,,Strijd den goeden strijd des geloofs, grijp het eeuwige leven, waartoe gij geroepen zijt en de goede belijdenis afgelegd hebt voor vele getuigen” (1 Tim. 6 : 12). Laat u niet afbrengen, ,,blijf standvastig in het geloof” (Col. 1 : 23). ,,Ik zie met blijdschap de orde, die bij u heerst, en de hechtheid van uw geloof in Christus” (Col. 2 2 5). Wij zijn door geloof gerechtvaardigd, niet door de werken (Rom. 3: 23; Rom. 3 :28; Gal. 2: 16); door geloof in Zijn Bloed zijn wij verzoend (Rom. 3 : 25); wij ontvangen genezing door geloof in Hem, ,, Op het geloof in Zijn Naam heeft Zijn Naam dezen, dien gij kent en ziet, sterk gemaakt; en het geloof door Hem heeft hem dit volkomen herstel gegeven” (Hand. 3 : 16); bij een ziek kind dat Jezus geneest, zegt Hij: ,,Alle dingen zijn mogelijk voor wie gelooft” (Mark. 9 : 23). ,,Ik leef door het geloof in den Zoon van God” (Gal. 2:20).

Ik werd een nieuwe schepping door Hem, Hij leeft in mij: ,,Christus leeft in mij ” (Gal. 2 : 20).Door geloof ontving ik de Heilige Geest (Gal. 3 2 2), door geloof ook de Gaven des Geestes, de krachten om demonen uit te drijven en zieken te genezen (Gal. 3 : 5). Door geloof hebben wij deel aan de zegen van Abraham (Gen. 12 : 1-3); de belofte van God: ,,Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken, en gij zult een zegen zijn. Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken!” De Heer wil dat wij leven uit geloof, geloof in Zijn wonderbare kracht, leven uit Zijn leven, leven uit Zijn volheid. Niet uit de materiële en natuurlijke zekerheden rondom ons, maar leven uit Hem, verwervende de dingen van Zijn Koninkrijk, naar Zijn Woord en belofte. ,,Het geloof nu is het bewijs (het eigendomsbewijs) der dingen die men niet ziet” (Hebr. 11 : 1),  ,,Als ziende de Onzienlijke” (Hebr. 11:27), die de goede Gever is van alle zegeningen (Ps. 103 : 2). Wij hebben over het algemeen vrees voor een leven uit geloof, het is ons te onzeker, wij wagen dit geestelijk avontuur met Jezus Christus liever niet en grijpen rondom ons naar alle riethalmen in de menselijke samenleving om ons daaraan vast te houden. Wij vertrouwen Jezus, ,,de Leidsman en Voleinder des geloofs” (Hebr. 12 : 2) niet tot het allerlaatste. Wij kunnen niet leven uit Zijn genade van allen dag, vertrouwend op Zijn wonderbare beloften, die alle: Ja en Amen! zijn ,,in Hem” (2 Cor. 1:20).

Wij zijn bevreesd dat Hij tóch Zijn woord niet houden zal en ­ als het er scherp op aan komt – ons zal laten vallen. Dit leven uit geloof is staan, is blijven in Hem, volkomen. ,,Blijft in Mij, gelijk Ik in u” (Joh. 15 : 4). Als u uit Hem geraakt, Hem verliest, Zijn Woord wantrouwt, Zijn Geest bedroeft, Zijn hand afwijst, wordt u in de duisternis gevoerd.  ,,Wij hebben niets van doen met nalatigheid, die ten verderve leidt, doch met geloof dat de ziel behoudt” (Hebr. 10:39).,,Laten wij, die den dag toebehoren, nuchter zijn, toegerust met het harnas des geloofs” (I Thess. 5 : 8).

De brandende pijlen van Satan

,,Neemt bij dit alles (wat u reeds van de wapenrusting in bezit genomen hebt) het schild des geloofs ter hand, waarmede gij al de brandende pijlen van den boze zult kunnen doven” (Ef. 6 : 16). Het schild des geloofs tegen de brandende pijlen, de vurige aanvallen van Satan. Prijs de Heer dat er een afweerwapen gegeven is dat bestand is tegen Satans offensieven, de Heer heeft voorzien! De vorst der duisternis bestookt ons voortdurend in het gebied van geest en lichaam. Wij schreven reeds over allerlei boze geesten die ons belagen met allerlei middelen, er zijn duizenden verleidingen, ziekten en smarten, twijfel, kritiek, verblinding, ongeloof, pijlen die de vijand op ons afschiet. Hij richt ze op ons gevoel en verstand. Als wij als christenen vergeten zijn wie wij zijn, wat wij vermogen in Jezus Christus en ons geloof niet als een hard en gesloten harnas tussen ons en de vijand stellen, worden wij een prooi van hem. Satan heeft reeds zoveel eeuwen de mens kunnen bestuderen, hij kent hem door en door, als massa en als individu. Al onze zwakheden zijn hem bekend, die even zovele openingen zijn waarin hij zijn brandende pijlen kan schieten. Tot de eerste mensen die uit het Woord en tot het Woord Gods geschapen waren, kwam Satan om hen van dit Woord weg te praten.

God zei tot Eva dat zij niet eten mocht van de boom die in het midden van den hof was. Satan kwam en  praatte dit uit haar hoofd. Eva had zich moeten pantseren tegen deze verleidingen des duivels, maar haar schild des geloofs in God was zwak, poreus en Satan kon op haar onbeschermd gedachtenleven zijn brandende pijlen afschieten, dit leidde tot de vreselijke zondeval der mensheid. Satan kwam niet in haar geloof, maar in haar sentiment. Hij doet dit altijd, hij komt via onze zintuigen, ons gevoel, ons verstand. Als ik de dingen van Gods Koninkrijk benader via wat ik er over gehoord heb of zelf er van denk, wat ik met de ogen zie of wat mijn gevoel er van zegt, via mijn zintuigelijke waarnemingen, zal ik de dingen niet vinden die ik zoek. ,,Het geloof is het bewijs der dingen die men niet ziet (Hebr. 11:1). Het geloof bouwt zijn huis op een andere waarneming: God heeft het gezegd! en daarmee uit! Het geloof leeft uit déze werkelijkheid en kan niet wandelen langs natuurlijke, zichtbare, voelbare, beredeneerbare wegen, hij richt zich op wat God kan doen, op wie Hij is, op wat Hij zegt. Dit is de hoogste werkelijkheid dat boven alles staat, boven alle kritiek of mening. Als al het andere vergaat in de wereld, blijft deze werkelijkheid. ,,De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan” (Matth. 24 : 37; Mark. 13 : 31; Luk. 21 :33).

Gebrek aan kennis van Gods Woord (Hos. 4 : 6), waardoor wij vergeten zijn wie wij zijn en wat wij bezitten in Jezus Christus, heeft de Satan zo levensgevaarlijk voor ons gemaakt, terwijl wij bij gebrek aan inzicht omtrent de kracht des Heiligen Geestes de machtige mogelijkheid verloren hebben om hem effectief te bestrijden. Wij moeten terug naar Gods Woord, de spiegel. In Jacobus 1: 23, 24 lezen wij: ,,Want wie een hoorder is van het Woord en niet dader, die gelijkt op een man, die het gelaat, waarmede hij geboren is, in een spiegel beschouwt; want hij heeft zich beschouwd, is heengegaan en heeft terstond vergeten, hoe hij er uitzag. “  Wij zijn heengegaan en zijn vergeten hoe wij er uitzien, wie wij zijn in Gods spiegel, dat is de tragiek van het christendom. Wij moeten terug naar de Bijbel, waar ons de spiegel wordt voorgehouden dat wij in Jezus meer dan overwinnaars zijn, dat wij in Jezus weer deel hebben aan ,,Zijn beeld en gelijkenis”, en ,,deel hebben aan de Goddelijke natuur” (2 Petr. 1 : 4). Satan zet ons een lachspiegel met verwrongen beeld en gelijkenis voor, met ridiculiserende en verkleinende vormen, maar wij volgen Satan niet, maar Jezus Christus en wij zijn door Hem gekocht en betaald, Zijn eigendomsvolk.

Wij moeten Bijbelgelovige, Woordgelovige christenen worden, wij moeten alle eigen gevonden en zelf gevormde redeneringen en commentaren eens laten rusten en weer beginnen om kinderlijk, eenvoudig, open en gelovig de Bijbel opnieuw te leren lezen op Gods waarheid. Daarin vinden wij de kracht om de vijand uit ons leven er uit te bannen en er uit te houden. Paulus wist wie hij was in Jezus Christus en schreef: ,,Ik vermag alle dingen in Hem, die mij kracht geeft” (Phil. 4 : 13). Petrus wist wie hij was in zijn Meester en zei tot de geraakte aan de Schone poort: ,,Zilver en goud bezit ik niet, maar wat ik heb geef ik u: in den Naam van Jezus Christus: Wandel! En hij greep hem bij de rechterhand en richtte hem op, en terstond werden zijn voeten en enkels stevig, en hij sprong op en stond op en liep” (Hand. 3 : 6-8). De man werd genezen ,,en hij ging met hen den tempel binnen, lopende en springende en God lovende” (Hand. 3 : 8). Elia wist wie hij was in zijn God, hij stond eenzaam op de Karmel en bad het vuur uit den hemel (I Kon. 18 : 38) en beval dat het niet regenen zou 3.5 jaar lang (Jac. 5 : 17). Hij riep de gestorven jongen uit de dood in het leven terug (I Kon. 17 : 22), ,,En de Heer hoorde naar de stem van Elia!” (I Kon. 17 : 22).

De Bijbel spreekt over vele geloofshelden in het oude Verbond en het nieuwe Verbond, die wisten wie zij waren in hun God en dienovereenkomstig handelden, gezag toonden, volmacht deden gelden, sterk waren in geloof. Zij waren geen theoretici, maar handelden in geloof en deden grote daden voor het Koninkrijk Gods. Satan schiet zijn pijlen af op Gods kinderen en hij heeft vele pijlen op zijn boog, maar het schild des geloofs is sterk en ondoordringbaar en dooft ze alle (Ef. 6 : 16).

De helm des heils

,,En neemt de helm des heils aan” (Ef. 6 : 17). In I Thess. 5 : 8 wordt gesproken over de: ,,helm van de hoop der zaligheid”.  De wapenmsting bedekt thans de krijgsman, alleen ontbreekt hem nog de hoofdbedekking. Dit is een zeer belangrijk rustingstuk, want op het hoofd komen de meeste slagen neer, de vijand doet zijn aanvallen voornamelijk op het hoofd als zetel van het denken, de wil en het verstand. De helm is vervaardigd uit het hardste koper en zonder voegen, uit één stuk gemaakt en zodanig gesmeed dat de slagen er langs afglijden, er op afschampen. Zo is ook de helm des heils, hard, voegloos, glad, ter bescherming van de wereld van onze gedachten waarin Satan poogt te infiltreren. Het is vervaardigd uit het beste materiaal dat er te vinden is, het heil door de fundamentele waarden in Jezus Christus. Hij is onze Redder van zonden. Hij nam mijn ongerechtigheid op Zich. Hij is onze vrede. Zijn Bloed kocht mij vrij. Hij rechtvaardigt mij bij de Vader. Hij maakt mijn leven nieuw.

Ik ben in Hem een nieuwe schepping. Hij geneest mijn ziekte. Hij doopt met Zijn Geest. Hij geeft mij de overwinning over Satan. Hij doet mij delen in de erfenis. Wie is Hij niet voor mij, wat bezit ik niet in Hem? Alle dingen vallen mij toe. Hij maakt mijn beker overvloeiende. ,,Hoe zal Hij, die zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgeleverd heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken” (Rom. 8:32). Satan kent deze universele waarheden zeer goed en poogt zijn brandende pijlen, als: twijfel aan God, aan Zijn liefde, aan Zijn almacht, aan Zijn Woord, Zijn beloften, op de helm af te vuren, hij stoot met zijn zwaard in het denken van de mensen door; maar de slagen glijden af langs het gladde, naadloze metaal van de helm des heils. Het metaal van zijn onheilen ketst af, schampt af tegen het metaal van het heil in Jezus. Satan poogt onze gedachten te infiltreren met gevoelens van onwaardigheid, onbekwaamheid, onaanvaardbaarheid, onreinheid, maar de helm is gesloten, het Woord bedekt het als een schild. Als wij in het heil in Jezus Christus staan, dan is dit als een helm, een koepel op de tempel des Geestes. ,,Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt en dat de Geest van God in u woont? Zo iemand Gods tempel schendt (geen acht op slaat), God zal hem schenden. Want de tempel Gods en dat zijt gij, is heilig” (I Cor. 3 : 16, 17). Onder deze koepel is de wereld vol vrede en harmonie. Daar  wordt Psalm 91 gezongen, daar is lofprijzing en glorie. De vrees voor een overmachtige duivel, die eeuwenlang Gods kinderen heeft geplaagd, maakt plaats voor de ervaring in Jezus ,,meer dan overwinnaar” te zijn.

De Heilige Geest zetelt daar en leidt in alle waarheid. In de strijd tussen David en Goliath, Gods volk en de erfvijand van Gods volk, de Filistijnen, zien wij dat Goliath een koperen helm (Sam. 17 : 5) droeg, hard, perfect. Onder deze helm leefde vijandschap tegen God, raasden de godslasteringen; een helm des onheils. Davids vrienden wilden hem de wapenrusting van Saul aantrekken, het beste dat er was, immers vervaardigd om de koning te beschermen. Ook was daarbij een koperen helm (I Sam. 17:38), hard, perfect. Koperen helm tegenover koperen helm. Zo strijdt ,,vlees en bloed”. Maar David zag dat dit hem niet helpen kon, hij trok deze wapenuitrusting uit, gaf de koperen helm terug en deed de wapenrusting Gods aan. ,,Niet door kracht noch door geweld maar door mijn Geest! zegt de Heer der heerscharen” (Zach. 4 : 6).Hij deed de helm des heils aan in deze strijd. De koperen helm van Goliath, de helm des onheils bleek niet geheel toegesloten, aan de voorzijde was een opening veronachtzaamd, Goliath in zijn mateloze hoogmoed keek daar niet nauwkeurig op. David zocht in de beekbedding vijf gladde stenen, deed er een in de slinger en slingerde met grote kracht een steen door de onbeschermde plaats in het voorhoofd van de reus, die dodelijk getroffen werd en neerviel. Davids steen drong in de duivelse gedachtenwereld van Goliath en bracht deze gedachtenstroom tot stilstand. Zijn gevecht was niet in de eerste plaats een fysieke strijd tegen een reus van ruim zes el grootte, maar tegen de godslastering die uit zijn mond uitkwam, het was een geestelijke strijd. Als u slechts ziet ,,wat voor ogen” is, ziet u David daar gaan, Gods leeuwerik, zonder wapenrusting, in zijn naakte geloof, maar hij was wel degelijk van een wapenrusting voorzien, een betere dan die van Saul, Gods wapenrusting.

Davids steen doodde in het hoofd van Goliath het duivelse offensief tegen God. De helm des heils is voortreffelijker dan welke andere helm ook in de geestelijke strijd tegen de boosheden in de lucht. Indien u de heilswaarheden uit Gods Woord verstaat en aanvaardt wat dit Woord  zegt over Jezus Christus, de Heilbrenger, de Heiland, en wat dit Woord zegt over u, die heeft de helm des heils opgezet en zijn denken beveiligd tegen de aanslagen van Satan die ,,op ons geen voordeel vermag te behalen. Want zijn gedachten zijn ons niet onbekend” (2 Cor. 2 : 10).

Het zwaard des Geestes

ln de wapenrusting Gods waren de hierboven beschreven rustingstukken alle afweerwapenen. Staat de gelovige christen in deze wapenrusting, dan is hij onaantastbaar, onoverwinbaar. De veiligheid is verzekerd. Helaas zijn er niet velen die de volle wapenrusting Gods hebben aangetrokken, weinigen hebben ontdekt wie zij zijn in Jezus en staan in Zijn volle heil,,,krachtig in de Heer en in de sterkte Zijner macht” (Ef. 6 : 10). De onbekendheid met deze wapenrusting en gebrek aan besef van belangrijkheid hiervan, heeft menigeen verhinderd om te kunnen standhouden en de strijd doen verliezen. Maar de Heer heeft naast de afweer ook de aanval geboden. ,,ln Mijn Naam zullen zij boze geesten uitdrijven” (Mark. 1 6: 17). De vijand dient in zijn kamp te worden overrompeld, het huis van de sterke moet worden binnengedrongen, er moet daarin worden ingebroken en de geroofde vaten teruggenomen. Daarvoor moet men aanvalswapenen hebben. Er is moed, vreesloosheid voor nodig om de geestelijke boosheden vallen en uit te drijven, maar het is opdracht en harde noodzaak, wij hebben hen al veel te lang toegelaten ons leven en werk binnen te dringen en te beschadigen.

Wij moeten hen uitdrijven, in de machtige Naam van Jezus. De twee aanvalswapenen die God geeft, zijn beide: Het Woord wan God. In Ef. 6 : 17 wordt als eerste wapen genoemd: ,,het zwaard des Geestes, dat is het Woord van God” en in Ef. 6:18: ,,bidden in den Geest”, dat is bidden in nieuwe tongen, het spreken in de taal des Geestes, het Woord van God, dat uit Hem komt en tot Hem terugkeert. Het zwaard des Geestes, dat is het Woord van God. De woordelijke vertaling luidt: de uitspraken Gods. Daarmee kan de vijand worden verslagen. De duivel is niet met de scherpte van het materiële zwaard te  verslaan, maar wel met de uitspraken Gods, die vernietigen hem. Welke zijn Gods uitspraken over hem? Dit: dat hij een overwonnen vijand is dit: dat zijn kop werd vermorzeld op Golgotha door de Slangenvertreder Jezus van Nazareth; dit, dat hem de sleutels van de dood en het dodenrijk zijn ontnomen (Openb. 1:18) Dit: dat hij zich buigen en over even moet voor de Naam van Jezus; dit: dat hij overwonnen is door het Bloed van het Lam en door het woord van getuigenis der kinderen Gods (Openb. 12 : 11); dit: dat zijn zaak een verloren zaak is. Amen. Gelovigen met volmacht kunnen de vijand verslaan en op de vlucht jagen, zij hebben daartoe recht en plicht, de vorsten der duisternis te binden en terug te zenden naar de afgrond.

Het kind van God heeft deze waarheden gelezen in het Woord van God en het . Bezoekt hij een kind van God, die in Satans handen gevallen is en ziek geworden, dan treedt hij de binnengedrongen machten in de kracht van God tegemoet, hij zwaait het zwaard des Geestes en zegt: ,,In de Naam van Jezus Christus ontrukken wij deze buit, Satan! Dit is het eigendom van Jezus! Je hebt geen recht op deze mens, Jezus kocht hem (haar) met Zijn Bloed! Hij heeft al zijn (haar) ziekten gedragen aan het kruis, in Zijn wonden is hij (zij) genezen! Verlaat deze woning! Wij drijven je buiten! Wij ontrukken je deze ziel, in de Naam van Jezus!” ” Indien u dit zegt met gezag, in de kracht des Geestes en gelooft dat wat u zegt geschieden zal, zal deze ziektemacht de zieke moeten verlaten, hij moet gehoorzamen. ,,Hebt geloof in God. Voorwaar, Ik zeg u, wie tot dezen berg zou zeggen, hef u op en werp u in de zee, en in zijn hart niet zou twijfelen, maar geloven, dat hetgeen hij zegt, geschiedt, het zal hem geschieden. Daarom zeg Ik u, al wat gij bidt en begeert, gelooft, dat gij het hebt ontvangen, en het zal geschieden” (Mark. 1 1 : 22-24). ,,Maar hij moet bidden in geloof in geen enkel opzicht twijfelende” (Jac. 1 : 6).

Er zijn allerlei soorten van machten, vorsten en overheden die hardnekkige wederstand bieden en er zijn andere boze geesten, kleinere, plaaggeesten, zorgengeesten, maar zwaai het zwaard des Geestes zo lang, houw er in geloof op in, tot de overwinning zeker is. Johannes zegt in zijn brief: ,,Hiertoe is de Zoon van God geopenhaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou” (1 Joh. 3: 8). En Jezus zegt in de paaszaal: ,,Ik zeg u, wie in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen en grotere nog dan deze” (Joh. 14 : 12). Dit zijn scherpe woorden, heerlijke garantie. Hiermede kunnen wij de strijd tegemoet gaan, wij hebben het tweesnijdende zwaard in de hand. Het is opdracht van Jezus. De strijd tegen de demonische machten is niet een vrijblijvende zaak voor geboren strijdersnaturen die spectaculaire avonturen zoeken, maar opdracht.

O, wat is er nog veel te doen. Het is alsof de machten zich vermenigvuldigen en hun invloed vergroot. En wat is er een gebrek aan kennis inzake deze geestelijke strijd. Door zijn politiek van versluiering van de nieuwtestamentische leer, is het de duivel gelukt de gemeente Gods op een dwaalspoor te brengen en lam te leggen. Wat zijn er vandaag vele mensen in Satans ban. O, Lichaam van Christus: ontwaak! Kind van God: wordt wakker en sta op uw voeten! Christen: doe aan de wapenrusting Gods! Wapen u! Treed toe in de legerscharen Gods! Keer terug naar het gezag in den (leest, treed weer paulinisch op tegen de wereldbeheersers der duisternis! Hanteer het zwaard des Geestes: het Woord van God! Dat en dat alleen behaalt de overwinning over de geestelijke boosheden in de lucht. ,,Want het Woord Gods is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt door, zo diep, dat het vaneenscheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het schift overleggingen en gedachten des harten; en geen schepsel is voor Hem verborgen, want alle dingen liggen open en ontbloot voor de ogen van Hem, voor Wien wij rekenschap hebben af te leggen” (Hebr. 4 : 12). ln Matth. 4 wordt de ontmoeting beschreven van Jezus en Satan in de woestijn. Het is een levensgevaarlijk treffen, een duel tussen de Vorst des lichts en de vorst der duisternis. Hoe zal dat aflopen? Het gaat om niets minder dan te zijn of niet te zijn, wie zal als overwinnaar uit deze strijd komen? Satan valt eerst aan, hij opent het offensief in deze geestelijke strijd, strateeg die hij is weet hij dat de aanval de beste verdediging is. Maar Jezus neemt Zijn zwaard en beantwoordt deze aanval. Hij neemt het zwaard des Geestes, het Woord van God en zegt: ,,Er staat geschreven!” Dit is een voltreffer, deze slag is voor Jezus, de Satan is afgeslagen, het Woord van God heeft gezegevierd. Satan, voorzichtiger nu, volgt de strijdwijze van Jezus en komt ook met een woord, hij citeert de Bijbel maar verminkt de tekst, zoals hij altijd graag doet.

Als hij als een engel des lichts zich presenteert en u let goed op, dan komt hij met een vroom woord, een Bijbelcitaat, maar ergens laat hij listig iets weg, verdoezelt hij de waarheid, dat is typisch satanische taktiek. Maar Jezus komt met het volle Woord en pareert ook deze degenstoot, met Gods uitspraak: ,,Er staat geschreven.” Wederom, ten tweede male, probeert Satan Jezus door de knieën te doen gaan door Hem op de knieën te krijgen, maar Jezus slaat terug met steeds hetzelfde tweesnijdende zwaard, het Woord Gods en zegt: ,,Er staat immers geschreven!” De strijd is beslist nu, Satan slaat op de vlucht, Jezus is Overwinnaar, het Woord heeft Hem de zege gebracht. ,,De mens zal leven van alle woord, dat uit de mond Gods uitgaat” (Matth. 4: 4). ,,Het Woord Gods blijft in u en gij hebt de boze overwonnen” (1 Joh. 2 : 14). ,,Voor Mij zal alle knie zich buigen” (Rom. 14: 11).

Wie ben ik? Ben ik wat Satan van mij zegt? Ben ik wat mijn verstand zegt dat ik ben of mijn gevoel, of mijn ontwikkeling of wat de mensen zeggen dat ik ben? Ben ik wat ik vrees te zijn of niet te zijn, of mijn twijfel of ongeloof`? Of ben ik wat God zegt dat ik ben, wat God in Zijn Woord zegt dat ik ben, Halleluja, ik strijd niet met mijn woorden, maar met Gods Woord. Gods Woord zegt dat ik gered ben door het Bloed van Jezus, verlost van de zonde, in Zijn striemen ben ik genezen, in Zijn wonden geheeld, ik ben Gods kind en erfgenaam, wat ben ik allemaal niet in Christus. En als Satan aanvalt kom ik met Gods uitspraken hem tegemoet en zeg hem wat God van mij zegt in Christus. Met: ,,er staat geschreven!” slaan wij zijn aanvallen af, zoals Jezus dit deed. Onze mening is niet belangrijk en daarvoor retireert Satan niet, maar Gods uitspraken, die doen hem op de vlucht slaan. De Heer spreekt in Zijn Woord, dit is een zeer scherp zwaard. ,,Dit zegt Hij,.die het tweesnijdend scherpe zwaard heeft” (Openb. 2 : 12).

De boze machten vluchten voor het gelovig  staan in de waarheid van Gods Woord en het hanteren als een wapen tegen hem. ,,Hij dreef de geesten uit met Zijn Woord ” (Matth. 8 : 16).Waar ziektemachten de kinderen Gods overweldigen, hanteer daar het zwaard! ,,Hij zond Zijn Woord, Hij genas hen” (Ps. 107 : 20). De hoofdman sprak tot Jezus: ,,Spreek slechts één Woord en mijn knecht zal herstellen” (Matth. 8 : 8). Wij allen hebben dit zwaard des Geestes, omdat wij het Woord Gods, de Bijbel, hebben en Jezus, het vleesgeworden Woord. Jezus zegt tot de Vader in het hogepriesterlijk gebed: ,,lk heb hun Uw Woord gegeven” (Joh. 17 : 14). ,, Uw Woord is de waarheid” (Joh. 17 : 17). Wij moeten, ik herhaal dit steeds, teruggaan naar het Woord Gods, dit Woord onderzoeken, kennen, geloven en gehoorzamen, meer dan wat de mensen zeggen. “Wat Hij u ook zegt, doet dat!” (Joh. 2:5) Dan gaat het Woord achter ons staan, als een schild, een rots, het gaat ons dienen en dragen. Dan gaat een gans heelal van natuurkrachten, die alle door het Woord ontstaan zijn (Joh. 1:1-3), ons helpen, ons terzijde staan. Als wij het Woord geloven, in het Woord staan en het Woord is in ons, dan zal alles wat door dat Woord geschapen is geworden, zijn ontstaan in dat Woord heeft, aan onze zijde staan en medestrijden. “Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart” (Rom. 10:8) 

Wij dragen het zwaard des Geestes niet als een ledige vorm, zoals soldaten in vredestijd dit decoratief op parades dragen, in een glanzend gepoetste schede, maar het moet uit de schede getrokken zijn en gebruikt in de strijd, vandaag, nu, hier, daar, overal waar de machten der duisternis Gods kinderen pogen te overweldigen. In de brandende, geestelijke strijd van de eindtijd hebben wij niets aan ledig gebruik van woorden in onze erediensten, het opsieren van het zwaard met guirlandes van welsprekendheid, het ijdel paradéren er mee, het spel van woorden om het woord, het is alles nutteloos. Maar het scherpe, tweesnijdende zwaard van het Woord van God dient te worden gehanteerd, wij dienen ons in de strijd te werpen, vreesloos, in de Naam van Jezus, voor Zijn Koninkrijk, tegen de machten der duisternis. Geen menselijke woorden kunnen een bezetene bevrijden,  geen stichtelijkheid kan iets uitrichten in het rijk der duisternis, maar Gods Woord kan dat. Een gelovige met de Bijbel in zijn hand, een man, een vrouw die vervuld is met de Heilige Geest en Gods zwaard weet te gebruiken als het machtigste wapen, daarvoor heeft Satan respect.

Satan vreest onze woorden niet, maar voor Gods Woord slaat hij op de vlucht. Mooie woorden genezen de zieken niet; rethoriek maakt de gebondenen niet vrij; welsprekendheid werpt de duivel niet uit bij een bezetene. Gods Woord maakt levend! Gods Woord verlost, maakt vrij, geneest, vernieuwt! Halleluja! Achter elk van Gods uitspraken, achter elk van Gods woorden staat Zijn autoriteit. Hij is de Heer! Als u bij een zieke komt en u houdt aan zijn bed een lief, sympathiek praatje, een woordje van troost, uw woordjes, dan zullen deze – hoe goed gemeend ook, vol van zorg en medeleven – de zieke niet doen opstaan. Maar als u de Bijbel grijpt, deze opent op Gods uitspraken en beloften voor deze zieke, als u het Woord laat spreken en naar de autoriteit van het Woord handelt, de ziektemachten uitdrijft in de machtige Naam van Jezus, als u naar Jac. 5:14 deze zieke zalft met olie en gelooft dat God zelf Zijn Woord aan de lijder zal waar maken en hem op uw handeling, op Zijn bevel, gezondmaken, ’dan zult u zien wat Gods Woord kan doen. ,,Alzo zal Mijn Woord, dat uit Mijn mond uitgaat, ook zijn; het zal niet ledig tot Mij wederkeren, maar het zal doen wat Mij behaagt en dat volbrengen, waartoe Ik het zend” (Jes. 55 : 11). Wat zal het volbrengen? Het zal een zwaard des Geestes zijn, scherp, tweesnijdend, tegen de ganse legermacht van Satan en hem volkomen overwinnen. ,,De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan” (Matth. 24:35)  

Bidden in de Geest 

De meeste lezers van dit Schriftgedeelte over de wapenrusting Gods houden in Ef. 6 bij vers 17 op met lezen, zij sluiten hier hun Bijbel en menen dat zij het nu over deze wapenen wel weten. Maar zij vergissen zich, een buitengewoon waardevol aanvalswapen vergeten zij: het bidden in den Geest. “En bidt daarbij met aanhoudend bidden en smeken bij elke gelegenheid in den Geest” (Ef. 6: 18). Men denkt dat het zwaard des Geestes voldoende is om daarmee in de legerplaats van de vijand door te dringen en de vaten, die Jezus toebehoren, terug te brengen. Maar er is nog een zeer scherp wapen door God ons gegeven, naast het zwaard des Geestes het woord des Geestes, tegen de geestelijke boosheden in de lucht, het is een totale geestelijke strijd. De Heer heeft gezorgd voor een wapen van bijzondere aard, het is krachtiger en succesvoller nog dan het zwaard des Geestes. Hier is elke menselijke feilbaarheid buitengesloten en de strijd is gelegd in handen van Degene wien alle zichtbare en onzichtbare machten is onderworpen. Het wapen is: “Het bidden in de Geest”. Het is opmerkelijk hoe weinig onder de kinderen Gods hierover bekend is, het is Satan gelukt in de kerk van Jezus Christus deze dingen des Geestes eeuwenlang te versluieren, het is er hem alles aan gelegen de aandacht ook van deze tekst af te leiden, wetende welke kracht dit wapen heeft tegen zijn heerschappij. Elke oprechte Bijbellezer moet toegeven dat in Gods Woord sprake is van tweeërlei gebed: het bidden met de geest en het bidden met het verstand. “Hoe staat het dan? Ik zal bidden met mijn geest, maar ook bidden met mijn verstand” (I Cor. 14: 15). Ik zal bidden in den Geest en zal ook bidden met mijn denken. Dat hier sprake is van het bidden in tongen als er gesproken wordt over bidden in den Geest, is duidelijk.

Apostel Paulus noemt het bidden in den Geest: het bidden in tongen, u leest het duidelijk in Cor. 14, in tegenstelling tot het algemene verstandelijke gebed dat ik eventueel kan doen buiten mijn hart en geloof en geest om, dat aan te leren is, dat een gewoontezaak zou kunnen zijn buiten het besef van te staan voor Gods aangezicht om. Paulus leert dat in I Cor. 12, 13 en 14, de doop met de Heilige Geest wordt bedoeld als eis en uitgangspunt van alle Gaven des Geestes. Aan de gemeente van Efeze zegt hij: “Wordt vervuld met den Geest!” (Ef. 5 : 18) en gaat in het volgende hoofdstuk over de wapenen spreken. Paulus geeft twee redenen aan waarom een kind van God in tongen moet bidden en waarom hij zelf het zo dikwijls doet, meer dan alle anderen in de gemeente van Corinthe. “Ik dank God, dat ik meer dan gij allen in tongen spreek” (I Cor. 14: 18). Als wij zien naar het leven van deze zozeer gezegende apostel en wat zijn bediening voor Azië en Europa heeft betekend, zullen wij onze kritiek moeten opschorten, deze volzin: “Ik dank God, dat ik meer dan gij allen in tongen spreek” zou wel eens het geheim kunnen zijn dat hij meer dan “gij allen” tot zegen was.

Het spreken in tongen   

 De volheid van de Heilige Geest als voorwaarde van een krachtig pinksterleven, wordt geopenbaard door de Gaven des Geestes. Er zijn 9 verschillende Gaven van den Geest genoemd in I Cor. 12: 8-10; de eerste gave, tevens het teken (Mark. 16: 17) van de doop des Geestes, wordt de door God gegeven bekwaamheid genoemd van het spreken in nieuwe tongen of talen. Vele christenen houden vol dat zij wel de vervulling met de Heilige Geest hebben maar de tongentaal niet. En als wij met hen spreken en dieper hierop ingaan, blijkt dat zij deze tongentaal niet bezitten omdat zij deze niet bezitten willen. Onbekend maakt onbemind. Gebrek aan kennis dat Gods volk ten gronde richt (Hos. 4: 6). Zij hebben er iets tegen, zij vinden dit “griezelig” en “raar”, daarom dirigeren zij deze tongentaal maar naar vroeger, naar de Handelingentijd terug of als dit niet lukt, als een specialiteit van de veel “emotionelere” pinksterkringen die er een “extatisch gebruik” van maken, maar voor hen is dit zeker niet noodzakelijk of door God gewild. Zij redeneren: Waarom in tongen spreken of bidden, als ik in mijn eigen landstaal bid hoort God mij toch ook en ik weet tenminste wat ik zeg. Er is in mij zoveel verstandelijk verzet en het staat mijn gevoel zo tegen, ik kan mij zonder meer niet overgeven aan deze oncontroleerbare, bovennatuurlijke dingen, zij zijn door mij niet te omgrijpen, omvatten, mijn menselijke logica, mijn denken aanvaardt dit niet. De betekenis die de Bijbel hecht aan dit bidden in den Geest en de bijzondere plaats, naast het gebruik van het zwaard des Geestes, in de wapenrusting Gods, “om te kunnen standhouden tegen de verleidingen des duivels” (Ef. 6 : 11), bewijst wel dat wij deze zaak niet kunnen bagatelliseren tot een te verwaarlozen bijzaak, een typisch sectarische variatie, maar het laatste en sterkste aanvalswapen tegen de machten der duisternis. Het is niet verwonderlijk dat Satan de hele kerk tegen dit spreken in tongen opzet met heel zijn arsenaal van leugenachtige middelen, maar men ziet dan ook daar zo weinig overwinning over allerlei demonische gebondenheid, bezetenheid en ziekte.

Ik ben geneigd de oorzaak van bijzondere activiteit van de duivel voor een bepaalde zaak van het Koninkrijk Gods, met belangstelling te bestuderen, het is daar waar hij vrees toont en geplaatst wordt voor een zeer gevaarlijke zaak tégen hem. Als Satan zo bijzonder de kerkmensen opzet tegen een waarheid uit Gods Woord en voortgaat tegen een bepaalde zaak zo’n onbegrip en tegenzin te wekken, dan zal elke ervaren christen zich juist met deze dingen bezig gaan houden en onderzoeken wat hierin Satan zo verontrust. De werkingen des Geestes, de Gaven des Geestes boezemen hem grote vrees in en terecht, de Heer schonk deze dingen aan de gemeente juist tegen de geestelijke boosheden. Jezus zegt op de dag van Zijn hemelvaart: “Als tekenen zullen deze dingen de gelovigen volgén: in Mijn Naam zullen zij boze geesten uitdrijven, in nieuwe tongen zullen zij spreken” (Mark. 16: 17). Hij noemt ze bij elkaar, de strijd tegen de boze geesten en het spreken in nieuwe tongen. Realiseer u dat Jezus-zelf deze woorden spreekt, dat dit de laatste volzin is die Hij op aarde zegt. “De Heer Jezus dan werd, nadat Hij (deze woorden) tot hen gesproken had, opgenomen in den hemel en heeft Zich gezet aan de rechterhand Gods” (Mark. 16 : 19).

Zijn afscheidswoorden op deze belangrijke dag van Zijn troonsbestijging, zijn, evenals de afscheidswoorden in de paaszaal, van grote betekenis voor Zijn jongeren, voor allen die Hem volgen. Hij spreekt duidelijk de woorden uit die “de grote opdracht” vormen, de opdracht voor wereldevangelisatie, een boodschap tot redding van de ziel, de geest en het lichaam, een evangelie die de gehele menselijke existentie aanspreken en vernieuwen wil. En in deze weinige richtlijnen noemt Jezus ook dit: “in nieuwe tongen zullen zij spreken!” Hebben wij het recht, vrienden, om deze woorden niet te eerbiedigen en te gehoorzamen? Mogen wij afgaan op onze eigen gevoelens, onze smaak, onze verstandelijke overwegingen, is het niet beledigend voor Gods Woord deze te onderwerpen aan deze onze censuur? Wie zijn wij? Wat wij van de heilige en door God ingestelde dingen van het Koninkrijk vinden is toch niet maatgevend, belangrijk of zelfs maar interessant, het is alleen maar belangrijk wat God er van zegt, want dàt geldt alleen in Gods Koninkrijk. Wij moeten ons kritische verstand eens in de dood geven. “Ik dank u, Vader, Heer des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt, doch aan kinderen geopenbaard. Ja, Vader, want zo is het een welbehagen geweest voor U” (Matth. 11: 25, 26). “Voorwaar, Ik zeg u, wanneer gij u niet bekeert en wordt als de kinderen, zult gij het Koninkrijk der hemelen voorzeker niet binnengaan” (Matth. 18: 3). “Want het dwaze van God is wijzer dan de mensen en het zwakke van God is sterker dan de mensen” (I Cor. 1 : 25). Kinderen die niet kritisch zijn maar de dingen van God zonder meer aanvaarden met open hart en open handen, ontvangen Gods zegeningen. Zij strijden niet tegen deze dingen in, zij nemen het kritiekloos uit Gods handen aan. De waarden van het Koninkrijk liggen nu eenmaal gans anders dan die op het niveau van de wereld, God houdt er een geheel andere, onvergelijkbare logica op na, laten wij dit wel weten. Paulus zegt: “Ik wilde wel, dat gij allen in tongen spraakt” (I Cor. 14: 5).

Als God het verlangt, als Jezus het als teken in Zijn grote opdracht plaatst, als Paulus er God voor dankt, “Ik dank God, dat ik meer dan gij allen in tongen spreek” (I Cor. 14 : 18), laten wij dan niet langer beweren dat het onnodig is. Paulus kwam op een van zijn grote zendingsreizen in Efeze aan en vond daar een groep discipelen, geen ongelovigen maar gelovigen, bekeerde mensen, volgelingen van Jezus, maar ze waren niet vervuld. Dat was in die tijd in de eerste gemeenten iets ongewoons, meestal werden de heidenen als zij tot bekering kwamen tot Jezus Christus, meteen gedoopt in water en ontvingen zij ook de vervulling met de Heilige Geest. Petrus zegt op de eerste pinksterdag na zijn rede op het tempelplein: “Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de Naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de Gave des Heiligen Geestes ontvangen. Want voor u is de belofte (des Vaders: de Trooster) en voor uw kinderen” (Hand. 2 : 38, 39). De stad Samaria werd zeer geschud door de bediening van Philippus, “En toen de scharen Philippus hoorden en de tekenen zagen, die hij deed, (“kom en zie!” Joh. 1: 47), hielden zij zich eenparig aan hetgeen door hem gezegd werd. Want van velen, die onreine geesten hadden, gingen deze onder luid geroep uit en vele verlamden en kreupelen werden genezen; en er kwam grote blijdschap in die stad … Toen zij geloof schonken aan Philippus … lieten zij zich dopen, zowel mannen als vrouwen … Toen nu de apostelen te Jeruzalem hoorden, dat Samaria het woord Gods had aanvaard, zonden zij tot hen Petrus en Johannes, die, daar aangekomen, voor hen baden, dat zij den Heiligen Geest mochten ontvangen. Want deze was nog over niemand van hen gekomen, maar zij waren alleen gedoopt in den Naam van de Heer Jezus. Toen legden zij hun de handen op en zij ontvingen den Heiligen Geest” (Hand. 8 : 6, 7, 12, 14-17).

Deze geschiedenis bewijst dat de heidenen, die zich bekeerden, werden gedoopt en ook vervuld met de Heilige Geest. Paulus dan, vraagt verbaasd aan de gemeente te Efeze: “Hebt gij de Heilige Geest ontvangen, toen gij tot geloof kwaamt?

Doch zij zeiden tot hem: Wij hebben zelfs niet gehoord, dat er een Heilige Geest is” (Hand. 19 : 2). Hier waren gelovige mannen, hun voorganger Apollos had hen uit de Schriften onderwezen dat Jezus de Christus was (Hand. 18 : 24- 28). Zij waren bij de bekering, de doop van Johannes blijven staan door gebrek aan kennis, (“Wij hebben zelfs niet gehoord” … ). Paulus geeft hen onderricht en wijst op het meerdere dat er voor Gods kinderen is, hij wijst op de Sterkere die na Johannes was gekomen: Jezus die de Doper is met de Heilige Geest. Johannes schrijft: “Ik doop u met water tot bekering, maar Hij die na mij komt, is sterker dan ik; ik ben niet waardig Hem zijn schoenen na te dragen: Die zal u dopen met de Heilige Geest en met vuur” (Matth. 3: 11). Hoe was de reactie onder de discipelen op de woorden van Paulus? Zijn zij hier over gaan discussiëren? Wilden zij eerst naar huis gaan en de mening vragen van hun prediker Apollos, die overigens afwezig was? Gingen zij een tijd van afwachten, roepen, bidden, vasten tegemoet? Wensten zij eerst nog wat op te klimmen op de weg der heiligmaking? Wilden zij eerst hun boezemzonden en slechte gewoonten de baas worden? Neen, niets van dit alles. Zij hoorden, geloofden, aanvaardden en kwamen, zij openden hun hart voor de Heilige Geest, zij kwamen er direct op af. De Bijbel zegt hiervan: “En toen zij dit hoorden, lieten zij zich dopen in den Naam van de Heer Jezus. En toen Paulus hun de handen oplegde, kwam de Heilige Geest over hen, en zij spraken in tongen en profeteerden” (Hand. 19 : 5, 6). Hoe wist men dat zij vervuld waren met de Geest?

Dat kon men aan hen horen! Het teken, het bewijs was daar, de Geest kwam over hen en zij spraken in tongen en profeteerden. Dat was de gewoonste zaak van de wereld destijds. Men sprak in tongen als men vervuld was. Ook vandaag hebben de meeste christenen niet gehoord van de vervulling met de Heilige Geest en àls zij er van weten ontgaat hen toch de volle betekenis hiervan. Paulus heeft niet gezegd tot de gemeente van Efeze: Het is niet zo belangrijk om vervuld te zijn met de Heilige Geest, als u maar gelooft in de vergeving van zonden, dan is ’t goed. Neen, Paulus kent de kracht van het bidden in den Geest, het spreken in tongen en daarom vraagt hij of zij dit bezaten. Als hij bemerkt dat zij hiernaar verlangden, legde hij hen de handen op en de discipelen van Efeze werden vervuld en toonden dit door te spreken in tongen en te profeteren.

Zij konden toen eerst goede getuigen zijn, vanuit de kracht des Geestes. “Gij zult kracht ontvangen, wanneer de Heilige Geest over u komt, en gij zult mijne getuigen zijn” (Hand. 1 : 8). Let u op het volgende. Eerst de kracht, de Heilige Geest en daarnà uitgaan om te getuigen, vanuit Gods kracht. In Caesaréa kwam Petrus met enige broeders Cornelius bezoeken, een heidense officier die God zocht te vinden. Deze Cornelius verwachtte hen met een heel huis vol bloedverwanten en vrienden (Hand. 10: 24). Het waren heidenen die deze prediker uit Joppe wel eens wilden horen. Petrus begon in deze huissamenkomst te prediken en plotseling, tijdens het prediken, gebeurde iets vreemds. “Terwijl Petrus deze woorden nog sprak, viel de Heilige Geest op allen, die het woord hoorden. En al de gelovigen uit de besnijdenis, die met Petrus waren medegekomen, stonden verbaasd, dat de Gave van de Heilige Geest ook over de heidenen was uitgestort, want zij hoorden hen spreken in tongen en God grootmaken” (Hand. 10 : 44, 45).

Wat was het bewijs van de vervulling? Zij spraken in tongen. Hoe was de vervulling een feit geworden? Want zij spraken in tongen. Wil iemand de wapenrusting Gods aantrekken, dan betekent dit dat hij vervuld wordt met de Heilige Geest, dat is eerste eis en uitgangspunt. De wapenen hanteren kunnen wij slechts uit de kracht des Heiligen Geestes. Paulus stelt hier het bidden in den Geest naast, tegenover het bidden met verstand, het gewone bidden dat wij doen en doen moeten en door God gevraagd wordt. “Gewoon” bidden is natuurlijk goed, dit kan bewogen en gedreven worden gedaan, toch is het bidden in den Geest geheel iets anders. Dit is het laatste en scherpste wapen tegen Satan. Het is namelijk mogelijk door het spreken in tongen de Heilige Geest, de Geest van kracht, de gelegenheid te geven met gezag op te treden tegen alle geestelijke boosheden in de lucht. De Heer werkt op directe wijze mee in onze strijd die de Zijne is, die wij voor Hem uit te vechten hebben, middels dit bovennatuurlijke bidden in den Geest. “En evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen naar behoren. maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen” (Rom. 8 : 26). De Geest snelt ons te hulp in Zijn bidden in en voor ons, het bidden in de Geest, in nieuwe tongen. Bidden in de Geest is het ideale, Gode welgevallig bidden, het is ook de volmaakte voorbede. “En Hij, die de harten doorzoekt, weet de bedoeling des Geestes, dat Hij die de harten doorzoekt, weet de bedoelingen des Geestes, dat Hij namelijk naar de de wil van God voor heiligen pleit” (Rom. 8: 27). Dit geschiedt door de “glossolalie”, het spreken in tongen, het is naar de wil van God. De Heilige Geest is onze Plaatsvervanger, Voorbidder, de Hogepriester die onze aangelegenheden tot de Zijne maakt en deze bij de Vader bepleit, die onze interessen en die van andere kinderen Gods brengt voor de Troon der genade. Waar wij falen,waar wij zwak zijn, waar wij het niet meer weten, komt de Heilige Geest ons te hulp en doet voor ons wat wij niet kunnen, om ons tot overwinning te brengen. Het bidden in den Geest is het ideale, zondeloze gebed, omdat ons verstand hier niet tussen kan komen, omdat wij buiten de invloed van Satan blijven. Het is het uitspreken van geheimenissen tussen de nieuwe mens die Jezus in ons schiep bij onze wedergeboorte en God, in een wonderlijk idioom. “Want wie in een tong spreekt, spreekt niet tot mensen, maar tot God” (1 Cor. 14: 2).

Vele Christenen menen dat spreken in tongen het getuigen van Jezus aan een dove, afkerige, niet begrijpende wereld betekent. Maar dit is niet juist, de Bijbel zegt: “Want wie in een tong spreekt, spreekt niet tot mensen, maar tot God.” Er staat niet: Wie in een tong spreekt, spreekt tot mensen over God, maar: niet tot mensen, maar tot God.

Het geschiedt door een wonderbaar bovennatuurlijk middel, een taal, een tong die God verstaat en God alleen, er is een zeer bijzonder, intiem verkeer mogelijk tussen de ziel en de Vader, buiten ons begrijpen om. “Want niemand verstaat het; door de Geest spreekt hij geheimenissen”(I Cor. 14: 2). Het is geen Hollands of Engels of Duits of een andere taal die wij of anderen verstaan, “want niemand verstaat het”. Het is tongentaal, geheimtaal, dat een levende communicatie onderhoudt tussen de Schepper en de nieuwe mens in ons. Het komt uit God en keert tot God. God geeft de wedergeboren mens een wonderbaar uitingsmiddel om gemeenschap met Hem te hebben. Daarom behoort niemand het spreken in tongen te kritiseren als iets minderwaardigs of overbodigs. In Gods Woord wordt niets zinloos of doelloos geëist van Gods kinderen. “Wie in een tong spreekt, sticht zichzelf” (I Cor. 14: 4).

Zichzelf stichten is zichzelf opbouwen in geloof. “Maar gij, geliefden, bewaart uzelf in de liefde Gods, door uzelf op te bouwen in uw allerheiligst geloof en door te bidden in den Heiligen Geest” (Judas 20).

Ik bouw mij op in geloof en bewaar mij in de liefde Gods, door te bidden, in den Geest. Dat maakt mij sterk in de strijd tegen Satan. Ik heb een middel van God ontvángen om mijn kracht te vergroten, te vermeerderen. Van alle 9 Geestesgaven uit I Cor. 12 is de gave van het spreken in tongen de enige gave tot persoonlijk nut van de gelovige, de andere gaven ten nutte van de gemeente. De innerlijke mens wordt opgebouwd, gesticht, versterkt door de geestelijke strijd tegen de vijand der zielen. Indien wij zwak en vreesachtig worden tegen de overmacht, dan nemen wij dit wapen uit ons geestelijk arsenaal en spreken in tongen, waardoor wij weer krachtig in de Heer worden en in de sterkte Zijner macht, waardoor wij strijdvaardig weer zijn, vol moed. Tegen de 76 demonen is dit spreken in tongen een zeer scherp en afdoend wapen gebleken, dat direct op een vreselijke wijze de vijand attaqueert, wij hebben dit zelf vele malen meegemaakt. Wij verbazen ons over de vreemde, vernietigende werking van dit wapen, in de wereld der demonen schijnt dit wapen een grotere ravage te veroorzaken dan wij ons kunnen voorstellen.

Het bidden in den Geest is ook een wonderbaar middel mij in de onreine, goddeloze wereld om mij heen, in mijn werk, op kantoor, op de fabriek, rein te houden en onder alle omstandigheden de verbinding met de Heer te onderhouden.

Tijdens mijn arbeid kan ik, ongemerkt voor anderen, “tot mijzelf en tot God spreken” (I Cor. 14: 28). Het is geen geestelijke verbindingsmogelijkheid tot mijn naaste, maar een privé-telefoonlijn met God. 0, ik ervaar een heiligende, reinigende invloed door dit bidden in den Geest, dat ik altijd, wanneer ik dat verlang of dat nodig heb, kan doen. Ik isoleer me als het ware, ik schep daarmee rondom mij een afgesloten ruimte, een bidkamer, een binnenkamer en stel mij buiten de neerzuigende kracht van de wereld. Velen over de gehele wereld hebben verklaard in hun leven met de Heer de wonderbare zegeningen te hebben ervaren van dit spreken in tongen en hebben gezien dat dit in de strijd tegen de machten een buitengewoon krachtig wapen is dat met geen ander is te vergelijken.

De Satan is bijzonder bevreesd voor dit wapen en heeft in alle kringen van gelovigen deze waarheid dermate vertekend en Gods volk zo “tegengemaakt”, hij heeft naar fouten gezocht en dit overgeaccentueerd, zodat het spreken in tongen in “nette kerkelijke” kringen taboe is en geweerd wordt. Zijn taktiek is echter doorzichtig, het is duidelijk dat hij dit wapen meer vreest dan wat ook. Maar iedere oprechte, Bijbelgelovige christen, die tot elke prijs zijn Heiland wenst te volgen, zal erkennen, dat Jezus deze woorden geplaatst heeft midden in Zijn grote opdracht voor de bekering van de wereld: “In Mijn Naam zullen zij boze geesten uitdrijven, in nieuwe tongen zullen zij spreken” (Mark. 16: 17).

Indien het Hoofd van de gemeente zegt tot de gelovigen, dat zij in nieuwe tongen zullen spreken, heeft iemand dan het recht om dit Woord te veronachtzamen en niet op te volgen? Kunnen wij het ene Woord van God aanvaarden en het andere niet, omdat dit ons niet convenieert? Wie zijn wij, dat wij de dingen van het Koninkrijk kunnen aanvaarden en afwijzen, naar onze smaak? Aan het eind van I Cor. 14, het hoofdstuk dat over de gave van tongen en profetie handelt, eindigt Paulus met de woorden: “Laat hij dan wel weten, dat hetgeen ik u schrijf, een gebod des Heren is” (I Cor. 14: 37). “Maar als iemand hiermede niet rekent, dan wordt met hem niet gerekend. Zo dan, mijn broeders, streeft er naar te profeteren, en belemmert het spreken in tongen niet” (I Cor. 14: 38, 39).

Zeer veel gelovigen ervaren dat de vijand wijkt voor het bidden in de Geest. Een Sterkere, een Meerdere in ons bidt, strijdt met ons mee. “Gij hebt hen (de boze geesten – I Joh. 4 : 1-3) overwonnen; want Hij, die in ons is, is meerder dan die in de wereld is” (I Joh. 4: 4). Halleluja! Hij in ons, de Geest Gods in ons, is meerder en sterker dan alle machten der duisternis en hij is overwonnen, “want gij hebt hen (niet het, iets onzijdigs, “het” kwaad; maar hen, de persoonlijkheden, de boze geesten der duisternis) overwonnen”, door de Meerdere, de Koning, de Heer, aan Wien gegeven is alle macht, in hemel en op aarde. In Hem, Jezus Christus, zijn wij meer dan overwinnaar! Halleluja!

De Strijd

Hoe drijven wij boze geesten uit?

Er zijn verschillende mogelijkheden om boze geesten uit te drijven. Wanneer u vervuld bent met de Heilige Geest en geroepen wordt om dit te doen, willen wij enkele raadgevingen uit onze praktijk meegeven. Weest niet bevreesd! God kent u en de duivel beter dan u en Hij verlangt van u dat u de duivel overwint. God zegt: “Zie, Ik heb u macht gegeven om op slangen en schorpioenen te treden en tegen de gehele legermacht van de vijand, en niets zal u enig kwaad doen!”

De beste plaats om boze geesten uit te drijven blijft altijd de kerk, het Huis van God, waar Gods Geest woont, waar Gods Woord wordt gepredikt, waar lofliederen weerklinken, waar gebeden wordt en geloofd, waar Gods kinderen verzameld zijn, waar Geestvervulde predikanten en oudsten zijn, waar kracht Gods wordt geopenbaard, waar uitdrijvingen “gewoon” zijn. Er is een grote krachtsconcentratie in het Huis des Heren, gevuld met Gods kinderen die met God communiceren. De kerk waar geloof gepredikt en gepraktiseerd wordt, is een enorm krachtig bastion tegen de machten van Satan, de bezetenen en zieken dienen daarheen te worden gebracht, waar ze bevrijd en genezen worden, eventueel in aparte diensten. De ideale kerk is in mijn ogen altijd de kerk waarin Jezus predikte, waar de zieken op hun bedden voor Hem werden neergelegd en waar de gebondenen werden gebracht.

Ik predik het liefste op een plaats waar God waarlijk woont, met rondom mijn podium bedden en strechers met zieken, lammen, stervenden, gebondenen, waar rolstoelen staan, want de nood van de gemeente moet naar het Huis Gods worden gebracht, dat is de functie van Gods Huis. Daar zal de zondaar zijn Heiland vinden, daar zal de drugverslaafde worden bediend door knechten Gods, daar zullen de bezetenen worden bevrijd, daar worden de zieken met olie gezalfd en de handen opgelegd, zoals de Meester het gebood. Daar wordt het geloof opgebouwd door een krachtige prediking, een woord vol autoriteit, daar worden liederen die van geloof getuigen, gezongen, daar wordt de hemel bestormd door gebeden, daar wordt gehandeld, in Jezus’ Naam, namens Jezus. Waarschijnlijk wordt er in de eindtijdkerk minder getheoretiseerd, gedogmatiseerd, zijn er minder woorden, “Want het Koninkrijk Gods bestaat niet in woorden, maar in kracht” (I Cor. 4 : 20).

Willen wij het Koninkrijk Gods, het Koninkrijk van Jezus, zien functioneren in volle heerlijkheid, dan dienen wij deze kracht te openbaren, in de Naam des Heren! In de eindtijd kunnen wij met minder niet toe! We zullen secondaire dingen opzijschuiven en primaire dingen vóómemen! Wij zullen onze plaats in de Troon met Christus innemen en van daaruit met gezag optreden als geopenbaarde zonen. Wanneer de machten der duisternis frequenter en geraffineerder opdringen en gevaarlijkere aanvallen doen naar het Lichaam van Christus, Gods kinderen, u en ik, dan zullen wij minder woorden verspillen, maar met des te meer kracht opereren, kracht Gods. Wonderen en tekenen zullen gewone dingen worden. Ik houd van een kerk waar niet alleen geluisterd wordt naar de Woordverkondiging, maar waar gehoorzaamd wordt aan de opdracht van de Heer der Kerk, Jezus, als Hij zegt: “Gaat en predikt en zegt (gezeggelijkheid verwachtende): Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Geneest de zieken, wekt de doden op, reinigt de melaatsen, drijft de boze geesten uit! Om niet hebt gij het ontvangen, geeft het om niet” (Matth. 10: 7, 8) – “En zij vertrokken en predikten, dat zij zich zouden bekeren. En zij dreven vele boze geesten uit en zalfden vele zieken met olie en genazen hen” (Mark. 6: 12, 13).

Dat is de onveranderlijke opdracht van de Heer der Kerk. Niet voor historische dagen, ook voor vandaag! De Bijbel veroudert niet, Gods Woord is levend en actueel! Elke gehoorzaamheid aan Gods Woord honoreert Hij met zegen! Als de zieken en bezetenen naar de kerk worden gebracht en voor Gods aangezicht worden neergelegd rondom het podium, zoals in Jezus’ dagen, dan is de waarschijnlijkheid groot dat deze samenkomsten niet zozeer in serene rust zullen verlopen als velen verlangen, de kans is groot dat het schokkende diensten zullen worden. Daar waar krachtig wordt opgetreden tegen de machten der duisternis, daar zal van een stille, gewijde sfeer geen sprake zijn. Maar daar worden wèl zieken genezen, daar worden wèl bezetenen bevrijd, daar worden mensen daadwerkelijk geheeld en gezegend huiswaarts gezonden. Daar gebéurt wat, daar is de voortzetting van de Handelingen der apostelen. Het boek der Handelingen werd nimmer beëindigd, er worden in bovengenoemde samenkomsten nieuwe bladzijden aan toegevoegd. Dan zal het volk Gods de Heer prijzen voor Zijn machtige daden, dan wordt in lofprijzing Zijn Naam grootgemaakt en Hem alle eer toegebracht die Hij verdient! Een veranderd, vitaal, gezegend en gesterkt volk Gods keert dan huiswaarts!

ZÓ wordt Zijn Huis het best gebruikt, zo is de functie van de Kerk van Christus volkomen! Als deze dingen gebeuren zoals ze behoren te gebeuren, zullen geen kerken meer ledig komen te staan door gebrek aan kerkgangers, zoals nu vaak het geval is, maar dan stromen de kerken weer vol, gaan de mensen graag en vol verlangen ter kerke en rijst het geloof van een volk. De kerken lopen leeg vandaag omdat er geen wonderen Gods meer gebeuren, men is moe geworden van woorden, woorden. De mensen willen de machtige arm Gods zien, de grote Helper in Hem terugzien van weleer, de Heer van het beschadigde leven van Zijn volk, in ziel, geest en lichaam. Vooral de jeugd zal zeer gemotiveerd naar deze levende Heer toekomen, die duidelijk Zich manifesteert, een krachtige, reële Heer van Zijn kinderen. De Heer wil dat wij leren handelend op te treden, dat wij “gevaarlijk” weer worden voor de duivel. Dat ons optreden de boze met vrees vervult en hem doet afdeinzen. Christenen zijn die het strijdperk niet schuwen, maar met open vizier de duivel tegemoet durven treden en hem uitdrijven. God en ik samen zijn de meerderheid, niet vanwege mijn kwaliteiten, maar vanwege Zijn kwaliteiten. God en ik samen zijn meer dan alle machten der duisternis te samen. Halleluja!

Ga nimmer alleen!      

Als het niet mogelijk is de bezetene in Gods huis te brengen, om welke reden dan ook, dan gaan wij naar hem toe, zoeken wij hem op. Mijn raad uit de praktijk is: ga nooit alléén! Doe dit werk nimmer alléén! Het blijft een werk van specialisten, die ervaring daarin hebben. Het is een gevaarlijk werk! Handel nooit uit overmoed, uit zin voor avontuur of enthousiasme of nieuwsgierigheid, of zelfs morele verontwaardiging, handel nooit “zó maar”! Ik heb zendelingen verscheurd zien worden door de machten, omdat zij zonder wapenrusting, in overmoed, de duivel tegemoet traden. Het is een strijdperk dat u binnentreedt, het gaat om kosmische dingen, u verontrust de duivelse machten en werpt hen de handschoen toe. Weet wie u bent in Christus in dat uur, beseft dat u duidelijk tot deze actie geroepen bent, weest overtuigt dat de Heer met u is. U dient dit te doen als u zeker bent dat God het u opdraagt, u moet overtuigd zijn dat dit “Gods uur” is. God heeft Zijn tijd, Zijn uur, Zijn uitverkoren moment.

God is een God van orde. Hij improviseert niet, Hij doet de dingen niet “zo maar”, het is altijd naar Zijn gemaakt bestel, Zijn blauwdruk, Zijn universeel plan. God schiep de tijd en is Heer van de tijd, de tijd behoort Hèm toe. Hij heeft de onbeperkte tijd ingeperkt in tijdperken, waarin Hij Zijn plannen volvoert. Wanneer de tijd “vol” was, gebeurde er iets. Toen de tijd “vervuld” was zond Hij Zijn Zoon. Niet eerder, niet later. Dat was Zijn uur en daarin werkt Hij Zijn plannen uit, daarin manifesteert Hij Zich op bijzondere wijze. Ga nimmer alleen!

De vraag rijst: wie zal ik meenemen? Mijn antwoord is: ga met iemand die vervuld is met de Heilige Geest, evenals u, en kies een persoon waarmee u innerlijk geheel “schoon” bent, met wie u geen conflicten, communicatiestoornissen, moeilijkheden hebt, waarmee u volkomen één bent. Als er ook maar een enkele oneffenheid is tussen u en die persoon, dient dat eerst te worden uitgesproken, beleden, vergeven, onder het Bloed gebracht. Kniel neer met uw partner die u koos en lever u geheel aan hem of haar uit, belijdt uw eventuele oude schuld, stoornis, vergeef elkaar, laat u reinigen door het Bloed. Want de duivel ziet elke rimpel, elke oneffenheid, elke onbeleden zonde als openingen in uw wapenrusting en zal daarvan zeker gebruik maken om u aan te vallen. Zijn pijlen vinden de kleinste opening in uw wapenrusting, hij zal daarvan profiteren. Hij ziet zeer scherp en constateert elke zwakheid in u, registreert elke vrees nauwkeurig, noteert elke oude schuld, elk spanningsveld, hij zal u daar aanvallen. Hij moet tegenover zich vinden een gesloten front van vastberaden soldaten met een gesloten wapenrusting, zonder ook maar de kleinste breuk, geringste opening. Zorgt dat u rein en schoon bent met uw God en uw partner. Het is wijsheid van de Meester om Zijn discipelen twee bij twee uit te zenden. Twee is duizend! Het is de kleinste vorm van een gemeente, één is nooit een gemeente. Jezus zendt kleine “units” uit, communiteiten. Zij zullen samen hun éénheid moeten waarmaken. Zij zullen moeten demonstreren dat éénheid van meerderen onoverwinbaar is.

De éénheid van de Heer en Zijn Gemeente zullen zij naar buiten exposeren. Deze twee-éénheid is een mysterie! De Heer koppelt Zijn speciale beloften aan twee. “Ik zeg u, dat, als twee van u op de aarde iets eenparig zullen begeren, het hun zal ten deel vallen van Mijn Vader, die in de hemelen is. Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden” (Matth. 18 : 19, 20).

Identificatie   

Als u de vervulling met de Heilige Geest hebt ontvangen met de begeleidende tekenen en eveneens de negen Gaven van de Geest, zult u één van deze gaven, de Gave van het onderscheiden van geesten, in de strijd in het bijzonder nodig hebben. De Gave van het onderscheiden van geesten is een van God gegeven bekwaamheid om van geesten de aanwezigheid te ontdekken en hun identiteit vast te stellen. “Geliefden, vertrouwt niet iedere geest, maar beproeft de geesten of ze uit God zijn” (I Joh. 4: 1).

Welke geesten worden geopenbaard in de bezetene, hoevele geesten, van welke rangorde, welke namen dragen ze? Al deze gegevens hebt u nodig, u dient te weten wat er gaande is, met welke machten u te doen hebt. De Heer heeft in Zijn voorziening de wonderbare Gave van het onder- scheiden, identificeren der geesten, gegeven. De natuurlijke mens heeft geen inzage in deze duistere wereld. Maar de geestelijke mens wordt op bovennatuurlijke wijze ingeleid en van gegevens voorzien, opdat hij een succesvol werk zal kunnen doen, in de Naam van Jezus. U strekt uw wapenen niet in het onzekere, de duisternis, maar er is sprake van een gerichte strijd tegen de oppositie. (Wij verwijzen u naar het boek in deze “Duif’-serie, no. 5, waar uitvoeriger over de Gaven van de Geest wordt geschreven. Het boek heet: “De Gaven van de Geest”).

De Gave van het identificeren van geesten is niet hetzelfde als de macht om deze geesten uit te drijven. Voor het uitdrijven is geloof nodig. God gaf u daarvoor “genoeg” geloof! De Meester sprak op de dag van Zijn Troonsbestijging, het waren Zijn laatste woorden op aarde: “Als tekenen zullen deze dingen de gelovigen volgen (als teken van geloof van de gelovige!), in Mijn Naam zullen zij (de gelovigen) boze geesten uitdrijven” (Mark. 16: 17). De Gave werd gegeven ter identificatie en het geloof wordt gebruikt voor de uitdrijving.

Taxatie der geesten    

Wanneer u de geest(en) hebt onderscheiden en weet wat u bestrijdt, begint de toebereiding voor de strijd. Ieder van uw team vervult een eigen taak. De een zal de tegenstander(s) attaqueren, aanvallen, terwijl de ander in tongen bidt, hij draagt de ammunitie aan. Dit is het allerbeste middel om de machten af te zwakken, de atmosfeer te vullen met de kracht van de Geest Gods (want het is bidden in de Geest) en het maakt sterk, kloek, strijdlustig, onbevreesd. Het bidden in de Geest wordt in Ef. 6, het hoofdstuk dat wij in dit boek behandelen, genoemd als een van de twee aanvalswapenen. In de geestelijke strijd is dit een voorwaarde, het bidden in de Geest.

Ik kan daar niet genoeg op wijzen hoe uiterst belangrijk juist dit bidden in de Geest is. U communiceert in directe lijn met de Heer. U betrekt Hem in de strijd. Langs deze “hot-line” tussen het hart van de gelovige en het hart van de Vader komen u bijzondere hemelse krachten ter beschikking. Satan vreest deze geestelijke verbinding met de Heer en laat zijn tentakels los van zijn prooi, zijn greep verzwakt. Het is geen strijd van “vlees en bloed” maar een geestelijke strijd dat met geestelijke wapenen dient te worden gestreden, in de kracht van de Heilige Geest. Zoals wolven, honden, op de een of andere manier “ruiken” wanneer iemand vrees heeft en zijn vrees “uitstraalt”, als door een bepaalde “geur” bekend maakt, bemerkt de boze geest dat zijn aanvaller vrees heeft voor hem, hij “scheidt die af’, de boze geest weet dit onmiddellijk. Hij zal dan weigeren uit te gaan.

Hij weet dat hij het wint van zijn vreesachtige aanvaller en blijft op zijn plaats. Elke macht heeft de gewoonte, ik heb het honderden malen “gezien”, om u te meten, te wegen, te doorgronden, om te peilen of u hem vreest en onzeker bent dat hij zal uitgaan of niet. Hij weet dat u hem zo hard aanschreeuwt omdat u bang bent (daarom nooit schreeuwen, alleen het woord van gezag in alle rust gebruiken) of dat u zelf gelooft in wat u zegt en achter uw bevelen staat, dat u zeker bent van uw overwinning, of u positief geladen bent. Alvorens hij zijn prooi verlaat, draalt hij een seconde, een ogenblik, dat is het moment dat hij dit uitvindt. Dat is altijd een zeer interessant ogenblik in de demonenuitdrijving, dat ene moment dat hij u taxeert, u meet, uitvindt wie u bent. Maar vindt hij een bergen-verzettend geloof, rotsvaste zekerheid dat er geheel mee gerekend wordt dat hij uitgaat, dan zal hij uitgaan. Er valt met hem niet te spelen, hij doorziet de mens dieper dan deze zichzelf ziet. Maar als de gelovige de Naam der namen hanteert, wordt hij verlamd, dan wijkt hij, omdat hij weet Wie er achter deze Naam staat. Hij weet dat hij niet de mens bestrijdt maar de Naam! “In Mijn Naam zullen zij boze geesten uitdrijven” zegt Jezus.

Dit is allereerste voorwaarde, dat u waarlijk achter uw woord staat, dat u absolute gezeggelijkheid verwacht. U verzoekt niet, u beveelt, u spreekt commando’s des geloofs! Er wordt geen andere mogelijkheid overgelaten dan dat de macht uitvaart. Realiseer wie u bent in Christus, welke volmachten u in Hem hebt en handel dan, kort en beslist! Draal niet! Aarzel niet! Vreest niet! U zult in Christus overwinnen! Het is de natuur van God, dat Hij spreekt en gelooft dat wat Hij zegt gebeurt! Er zal niets anders gebeuren dan wat Hij zegt, Hij verwacht het! Als wij deelhebben aan de Goddelijke natuur, en Gods Woord zegt dat het zo is, “Door deze zijn wij met kostbare en zeer grote beloften begiftigd, opdat gij daardoor deel zoudt hebben aan de Goddelijke natuur” . .. (11 Petr. I : 4) dan zullen wij ook handelen als God en spreken, zeggen en verwachten dat wat wij zeggen gebeurt! Gods natuur is onverzettelijk, onwankelbaar, krachtig!

Bedek de verlaten plaats  

Als u weet dat de macht is uitgevaren, beëindig uw bediening dan niet te vlug. Een deel van uw bediening is er voor te zorgen dat deze macht niet meer zal terugkeren naar zijn verlaten plaats. Hij blijft in de buurt zweven en probeert terug te keren naar zijn plaats, omdat dit hem is opgedragen. Hij wacht op een ogenblik van onoplettendheid van de gelovige en springt er even later weer in. Hoevele malen is het niet gebeurd dat uitgedreven machten weer terugkeren. Dat komt omdat er iets in de bediening niet is gedaan. De plaats die hij verliet, het “nest” waarin hij woonde, werd niet direct bedekt met het Bloed van Jezus. Als hij terugkeren wil en het Bloed ziet, schrikt hem dit af.

Vergeet nimmer de verlaten zetel van de macht, de plaats waar hij schuilhield, zijn “nest” te bedekken met het Bloed dat hij meer vreest dan iets anders. “Zodra de onreine geest van de mens is uitgevaren, gaat hij door dorre plaatsen om rust te zoeken, maar hij vindt die niet. Dan zegt hij: ik zal terugkeren naar mijn huis, waar ik ben uitgevaren: en als hij komt, vindt hij het leegstaan en geveegd en op orde. Dan trekt hij heen en neemt zeven andere geesten mede, bozer dan hijzelf: en zij komen binnen en wonen daar. En het wordt met de mens in het einde erger dan in het begin. Alzo zal het gaan met dit boze geslacht” (Matth. 12 : 43-45). De onreine geest wil terugkomen en daarom zal er een middel worden gezocht om hem dat te verhinderen. Alleen het Bloed van Jezus is in staat om hem blijvend buiten te houden!

Bidden en vasten

“Maar dit geslacht (het gaat hier om boze geesten, zie vers 18 en 19) vaart niet uit dan door bidden en vasten” (Matth.17: 21). Het gebed is een enorme kracht. Bidden brengt de hemelse krachten in beweging voor u. Vasten maakt ook·verborgen krachten vrij. Vasten is geen fysieke zaak, maar een spirituele.

Vasten is niet iets nalaten, maar iets doen, een geestelijke aktiviteit. De oppervlakkige, natuurlijke mens associeert het vasten altijd met “niet eten”, maar dat is slechts een kleine bij zakelijkheid. Het gaat hierom: dat wij ingaan in het heiligdom, dat wij de best denkbare toestand kiezen om God het beste te benaderen, met een schoon lichaam, Zijn aangezicht zoeken in de grootst mogelijke fysieke harmonie. Vasten is niet negatief, maar positief, het komen voor het aangezicht van de Heer in offerbereidheid. Waarom weten miljoenen Hindu’s in India meer van dit geheimenis dan de Christenen? Waarom doen zij daar zoveel meer voordeel mee dan wij? Waar wordt bij Gods volk nog gevast? Incidenteel komt het slechts voor, maar niet algemeen. Ook het geheimenis van het vasten heeft de duivel in tweeduizend jaar Christendom gestolen uit de kerk, met zoveel andere dingen, inzichten, die wij nauwelijks kunnen missen. In deze eindtijd is de Heilige Geest weer bezig deze verworvenheden terug te geven aan de Gemeente. Ze worden weer op hun plaats gezet waar ze behoren. Vasten ontwikkelt een enorme geestelijke kracht tegenover boze geesten. Jezus zegt dit! Bidden en vasten worden hier tesamen genoemd, ze behoren ook bij elkander. Het vasten is niet anders dan ingaan in het heiligdom, in intieme omgang met de Heer, Hem zoeken in gebed in zuiverst mogelijke conditie. Dan komt er een bijzondere overwinning in het leven, grote kracht-concentratie, waardoor wij bij machte zijn om de machten onschadelijk te maken.

Binden en ontbinden    

“Voorwaar, Ik zeg u, al wat gij op aarde bindt, zal gebonden zijn in den hemel, en al wat gij op aarde ontbindt, zal ontbonden zijn in den hemel” (Matth. 18: 18). Binden en ontbinden door ons ontmoet Gods goedkeuring en medewerking. Hij staat achter ons binden en ontbinden, Hij erkent dit, Hij legaliseert dit. Wat wij doen in het belang van het Koninkrijk zal worden gezien alsof Hij het doet. Als wij de machten binden, knevelen tot machteloosheid, ze als het ware arresteren, gevangen nemen, ze onder de voet plaatsen zoals overwinnaars doen, dan beschouwt de Heer hen ook als overwonnen, uitgeschakeld. Dit is Goddelijke coöperatie. Wij binden de machten, wij verhinderen ze verder te handelen en te verderven, wij schakelen hen uit, dat is Gods gegeven. En wij ontbinden. Wij laten Goddelijke krachten vrij; genezingskracht, bevrijdingskracht. Nadat wij in samenkomsten of in individuele bediening de machten hebben gebonden, laten wij daarna de helende krachten van Jezus Christus vrij, het heil in Hem, over de menigte of de persoon. Wij brengen genezing aan het gebonden en geschonden leven, wij ronden onze bediening af. Wij breken af en bouwen op, wij nemen gevangen en laten vrij, wij vervloeken en zegenen, wij binden en ontbinden. Want wij hebben macht gekregen over alle onreine geesten, “En Hij riep Zijn twaalf discipelen en gaf hun mach t over onreine geesten om die uit te drijven en om alle ziekte en alle kwaal te genezen” (Matth. 10: 1). Binden en ontbinden getuigt ook van superioriteit, wij handelen als meerderen, wij draaien de rollen om en commanderen nu de bindende machten der duisternis, die gebonden hielden. In Christus zijn wij immers meer dan overwinnaar!

Getuigenis  

“En zij (onze bróeders: vers 10) hebben hem (de aanklager, de duivel: vers 1) overwonnen door het Bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis” (Openb. 12: 11). Daar is overwinning in ons getuigenis, daar is een wonder in onze mond. “Nabij u is het woord, in uw mond, en in uw hart, namelijk het woord des geloofs, dat wij prediken. Want indien gij met uw mond belijdt, dat Jezus Heer is, en met uw hart gelooft dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult gij behouden worden; (hier staat het Griekse woord: sozo, dat betekent: geestelijk en lichamelijk genezen, gered van zonde en van ziekte, het betekent: genezen, behouden, bewaren, heel maken), want met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met de mond belijdt men tot behoudenis” (Rom. 10: 8-10).

De mond getuigt niet VAN behoudenis, maar TOT behoudenis, ik kijk niet achterom naar wat gebeurd is, maar vooruit naar wat gebeuren zal. Dit getuigenis behoudt mij ! Het is niet genoeg dat wij geloven, wij moeten het ook met onze mond belijden! Wij zijn wat wij zeggen te zijn, wij getuigen wat er leeft in ons hart. Wij exposeren naar buiten, in onze woorden, wie wij zijn en waar wij staan. Wij zijn een produkt, een compositie van wat wij zeggen, dit heeft ons gevormd, lichamelijk en geestelijk; want wij zijn wat onze lippen getuigen, getuigd hebben. Als wij geen overwinning hebben, zal het wellicht nodig worden als wij ons getuigenis veranderen, getuigen gaan van andere dingen, betere dingen, positieve waarden. Er is geen mens die u veranderen kan, die iets voor u kan doen, zo lang u uw getuigenis niet verandert, hier hangt alles van af. Wat is mijn getuigenis vandaag? Wat belijd en verklaar ik vandaag? Getuig luid en openlijk, dag en nacht, voortdurend, zonder ophouden, voor God, voor de duivel, de engelen en de machten, tot allen rondom, tot uw naaste, tot uw vlees, uw ziekte, uw berg van moeilijkheden, wat God getuigt!

Zeg de woorden die God zegt! Is uw getuigenis een verheerlijking van de werken van de duivel, maakt u zijn daden groot, zijn uw woorden in duisternis gedompeld of in het licht? Negatief of positief, naar beneden gericht of naar boven? Vul uw mond met de openbare verklaring dat Jezus overwinnaar is! Verklaar in Zijn striemen genezen te zijn, dat er kracht is in het Bloed van het Lam! Verklaar dat Jezus de Heer is en leeft en alle macht heeft in hemel en op aarde, over alle domeinen van het vlees en de geest. Verklaar dat u Zijn kind bent en niets en niemand u zal kunnen scheiden van de liefde van Christus!

Laat uw mond dezelfde woorden zeggen die God zegt, dezelfde beloften uitspreken die Hij uitspreekt. Citeer de Bijbelse woorden, de woorden van God! Het zal uw leven veranderen! Het wonder is in uw mond, laat het er uit komen, laat het wonder los, het wonder dat alles verandert! De dingen rondom zullen veranderen, u roept de overwinning naar u toe. God zal over u glimlachen en Zich haasten Zijn beloften aan u waar te maken. Wanneer u de uitspraken op uw lippen neemt die God op Zijn lippen neemt, verandert de wereld om en in u volkomen. Laat uw geloof niet inslapen, onactief zijn, maar waak op en verklaar, belijd, getuig wat de Bijbel verklaart, belijdt en getuigt, dat alle dingen mogelijk zijn voor wie gelooft!

Hoop niet, aarzel niet, wacht niet, zucht niet, schrei niet, maar ZEG, ZEG, ZEG, getuig, verklaar, belijdt dat God verklaard heeft u niet aan uzelf over te laten, maar uw leven in u te helen, sterken en bewaren, omdat u Zijn kind bent! Jezus zegt: “De woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en leven” (Joh. 6: 63). Welnu, zo zullen ook uw woorden zijn: geest en leven! In Luk. 19: 22 zegt de meester tot de luie slaaf: ” Uit uw woorden zal Ik u oordelen.” God zegt: “Naar uw woorden zult gij gerechtvaardigd worden, en naar uw woorden zult gij veroordeeld worden” (Matth. 12: 37).

Leven en dood hebben wij op onze tong, hemel en hel. Onze toekomst is afhankelijk van wat wij vandaag zeggen. Wij zijn vandaag de vrucht van wat wij in het verleden hebben gezegd! Als het uw gewoonte is slechts te spreken vanuit uw zwakheid, verander dit getuigenis. Zeg wat de Bijbel zegt: “En de zwakke zegge: Ik ben een held!” (Joël 3 : 10). De zwakke ZEGT, ZEGT, ZEGT, niet bidt, maar ZEGT, belijdt, getuigt, onvervaard en openbaar, tot een ieder, voortdurend: “Ik ben een held!”

Al keren zich alle machten der duisternis tegen u, het doet er niet toe, u ZEGT het! U zult niet van uw zwakheid getuigen, maar van uw heldendom! Dit is Bijbels geloof, alle mogelijkheden Gods komen open te liggen, alle deuren gaan los, alle schatkamers van God worden toegankelijk voor u, op uw positief geloof en uw positief getuigenis. Er is een wonder in onze mond dat in staat is alles te veranderen. Wij getuigen niet OMDAT wij zijn veranderd (ook dit is goed, noodzakelijk), maar wij getuigen OPDAT wij veranderen. “Ik zeg u, wie tot deze berg zou ZEGGEN, hef u op en werp u in de zee, en in zijn hart niet zou twijfelen, maar geloven, dat hetgeen hij zegt geschiedt, het zal hem geschieden” (Mark. 11: 23).

Denk hierover na, dat u zult ontvangen wat u zegt. Wij hebben wat wij zeggen. Wij zijn wat wij zeggen. Wij zijn een produkt van wat wij zeggen. Wanneer u zegt en voortdurend zegt: Ik ben ziek! Ik heb pijn! Ik zal wel naar een ziekenhuis moeten! Ik denk dat ik kanker heb! Deze ziekte wordt steeds ernstiger, dat loopt niet goed af! Ik ben zwak! Het zal tot u komen, u roept het met uw woorden naar u toe. Uw vlees luistert naar uw mond en gelooft dit en gedraagt zich dienovereenkomstig. Uw gétuigenis is geen afweer tegen de oprukkende machten der duisternis, maar erkennen ze, en dat is gevaarlijk! Zie naar de herdersknaap David tegenover de reus Goliath, hij zei: “Want de strijd is des Heren en Hij geeft u in onze macht!” (I Sam. 17 : 47). Zeg datzelfde tegen de boze geesten als u ze bestrijdt, moedig als David, resoluut als hij: “God geeft u in mijn macht!” Halleluja! Ik heb de kracht om op schorpioenen en slangen te treden en tegen de gehele legermacht van de vijand en niets zal mij enig kwaad doen (Luk. 10: 19,20).

Ik heb de kracht om boze geesten uit te drijven, in Jezus’ Naam. Ik getuig dat ik vervuld ben met de Heilige Geest en Jezus mij kracht geeft, dat ik niet falen zal als ik optreed in Zijn Naam, want Hij is de som van mijn toereikendheid. In Hem ben ik meer dan overwinnaar! En dit getuig ik voortdurend! Niet als zelfoverschatting, overmoed, maar omdat ik mij dat bewust ben geworden door het Woord Gods. Ik ben iemand! Iemand geworden door Jezus! Ik zeg dit fier in het front van duivels en machten, alle geestelijke boosheden in de lucht! Ik ben wat ik beIijd! Ik heb wat ik beijd! Het wonder is in mijn mond! En dat beheerst mijn leven, het leidt mijn bestaan.

Het Woord    

“Toen het nu avond werd, bracht men vele bezetenen tot Hem; en Hij dreef de geesten uit met Zijn woord en die ernstig ongesteld waren genas Hij allen” (Matth. 8 : 16). Hij bestrafte en verdreef de boze geesten door Zijn machtwoord. Zijn gezag was in Zijn woord. Het Koninkrijk Gods was in Zijn woord. Hij stelde geen vragen, Hij gebood en voor de onontkoombaarheid van dat woord vluchtten de boze geesten. De Heer wil dat wij dezelfde woorden spreken die Hij spreekt! Met autoriteit! Met absoluut gezag! “Spreekt iemand, laten het woorden zijn als van God; dient iemand, laat het zijn als uit kracht, door God verleend, opdat in alles God verheerlijkt warde door Jezus Christus, wien de heerlijkheid is en de kracht, in alle eeuwigheid! Amen” (I Petr. 4: 11).

De Bijbel zegt dat wij woorden in onze mond zullen hebben die dezelfde autoriteit, volmacht, scheppende kracht hebben als van God. Eik woord van God draagt in zich de kracht voor haar eigen vervulling. Het is de uitdrukkelijke wil van Jezus Christus dat de woorden van Zijn dIscIpelen met dezelfde kracht, dezelfde volmacht, als welke Gods woorden bezitten, zijn geladen. Voor God hebben woorden over wetenschap, cultuur, politiek, weinig waarde, Hij luistert daar niet naar. Maar zodra een kind van God spreekt over Jezus, Zijn heil, Zijn Bloed, Zijn Naam, Zijn evangelie, Zijn wonderen en tekenen, dan gaan de engelen deze woorden ijverig stenograferen in het gedenkboek van Maleachi 3 : 16.

Dat is voor God interessant, dat behoort niet bij wat voorbij gaat maar blijft bestaan, dat zijn dingen van Zijn Koninkrijk. Deze eeuwigheidswoorden doen altijd iets gebeuren in het universum, dan luisteren natuurkrachten toe en maken zich vrij, komen in beweging om deze woorden te bevestigen. “De mond des rechtvaardigen is een bron van leven!” (Spr. 10: 11). Zoveel houdt God van ons spreken in geloof! Omdat dit spreken overeenstemt met Zijn spreken! Daar gaan de duivelen voor op de loop!

Wij hebben volmacht in onze mond! Elia zei: “Er zal deze jaren geen dauw of regen zijn, tenzij dan op mijn woord” (I Kon. 17 : 1). Hij sprak het commando tegen de elementen en zoals hij sprak gebeurde het, drie en een half jaar viel er geen regen. Hij wist wie Hij was in zijn God en handelde dienovereenkomstig! Koning Jozua stak zijn vinger naar de zon en sprak haar toe, gebood haar stil te staan, en zij stond stil. Evenzo deed hij met de maan. Hij sprak er niet over met God, dat God haar stil hield, maar hij sprak het commando met gezag en het geschiedde, vier en twintig uur lang. “En hij zeide: Zon, sta stil te Gibeon en gij maan, in het dal van AjaIon! En de zon stond stil en de maan bleef staan” (Jozua 10: 12, 13).

Dat waren geen supermensen met een uitzonderlijk groot geloof, maar gewone mensen. De Bijbel zegt van Elia: “Elia was slechts een man zoals wij en hij bad een gebed, dat het niet regenen zou, en het regende niet op het land, drie jaar en zes maanden lang, en hij bad opnieuw en de hemel gaf regen en de aarde deed haar vrucht uitspruiten” (Jac. 5 : 17). Elia hanteerde het woord van overwinning, dit woord bezat Goddelijke kracht. Woorden als scheppingen Gods. Het is het fundamentele principe van de Goddelijke natuur dat Zijn woorden scheppende kracht hebben (I Joh. 1: 3). “Ik heb u macht gegeven tegen de gehele legermacht van de vijand”, dan geloven wij daarin en staan in deze woorden. Paulus had er iets van verstaan: “En hierom danken ook wij God onophoudelijk, dat gij, toen gij het gepredikte woord Gods van ons hebt ontvangen, het hebt aangenomen niet als een woord van mensen, maar, wat het inderdaad is, als een woord van God, dat ook werkzaam is in u, die gelooft” (I Thess. 2: 13). Werkzaam! Het woord laat nooit na te werken voor hen die het als zodanig aannemen! Het woord in de mond van een geopenbaarde zoon Gods (Rom. 8 : 19) is positief en werkt als een tweesnijdend zwaard. De vijand gaat daarvoor op de vlucht. Hebben wij dat woord niet in de mond, dan is het een onnut woord voor God. Maar als wij van Jezus zijn vervuld en Zijn woorden hanteren, daarmee bestrijden wij de machten der duisternis. Wij zijn in ons woord. Jezus was in Zijn woord. Zijn woord deed hetzelfde als Zijn tegenwoordigheid, Zijn woord vertegenwoordigde Hem! Wanneer de hoofdman hulp zoekt bij Jezus voor zijn zieke soldaat, zei hij tot Jezus: “Heer, spreek maar één woord en mijn knecht is gezond!” In uw woord bent U zelf! Als de Bijbel zegt dat Jezus de geesten uitdreef met Zijn woord, dan zullen wij dezelfde methode kunnen volgen, door ons woord, in Zijn Naam!

Lofprijzing

Het volk Juda stond eens tegenover drie vijandelijke legers, die sterker waren dan zij. Zij riepen tot God om hulp. Zij zeiden … “Op U zijn onze ogen gericht!” In het midden van ieder conflict in ons leven zullen wij onze ogen gericht houden op Jezus. Hij zal ons nimmer verlaten. Toen sprak de Geest Gods bij monde van de Leviet Jehazeël: “Weest niet bevreesd en wordt niet verschrikt door deze grote menlgte:”want het is geen strijd van u, maar van God. Morgen zult gij tegen hen oprukken … Niet gij zult behoeven te strijden; stelt u op, blijft staan, dan zult gij zien, dat de Here u de overwinning geeft” (11 Kron. 20: 12-17).

Toen zond koning Jozua een zangkoor tot de vijanden inplaats van een directe legermacht, “Hij stelde mannen op, die den Here een lied zongen en Hem loofden in neiligen feestdos, terwijl zij voor de gewapenden uittrokken en zeiden: Looft den Here, want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid!” (11 Kr01 20 : 21, 22). Toen de mannen luid hun lofprijzing opzonden tot God, handelde God. Iets merkwaardigs geschiedde, de drie legers begonnen tegen elkaar te strijden en zij vernietigden elkaar. Men vond slechts lijken. God wil onze strijd uitvechten en voor ons winnen! Hij verwacht alleen van ons dat wij Hem 10fprijzen! In 11 Kron. 5 lezen wij de geschiedenis van een menigte die de Heer prees. Terwijl zij dit deden … “werd het huis, het huis des Heren, vervuld met een wolk, zodat de priesters vanwege de wolk niet konden blijven staan om dienst te doen, want de heerlijkheid des Heren had het huis vervuld” (11 Kron. 5 : 13, 14 )

Wij kunnen in onze samenkomsten nimmer iets groters, belangrijkers doen dan de Heer roemen en prijzen. Wij zijn te lang bedelaars, smekelingen geweest voor het aangezicht Gods, laten wij nu lofprijzers zijn voor Hem, voor wat Hij voor ons is en voor ons doet! Halleluja! Toen Paulus en Silas in de gevangenis van Philipi zaten, zongen ze Gods lof en de gevangenis poorten sprongen open. Elke gevangenis zal zich openen voor lofprijzing, elke overmacht gebroken. Het grootste gebrek in de kerk is de lofprijzing, de openlijke grootmaking van de Heer! ” Verblijdt u in den Here te allen tijdel Wederom zal ik zeggen: Verblijdt u!” (Phil. 4: 4). Er is altijd een reden tot lofprijzing, “te allen tijde”, ook als de hemel vol wolken en uw leven vol zorgen is, er is juist dàn reden om te prijzen, ” Verblijdt u ten allen tijde, bidt zonder ophouden, dankt onder alles, want dat is de wil Gods in Christus Jezus ten opzichte van u” (I Thess. 5 : 16-18). ” Ik zal u loven, Here, met mijn ganse hart, ik wil al uw wonderen verhalen; in U wil ik mij verheugen en juichen, Uw naam psalmzingen” (Ps. 9 : 1, 2). “Ik echter vertrouw op Uw goedertierenheid, over uw verlossing juicht mijn hart. Ik wil den Here zingen, omdat Hij mij heeft welgedaan” (Ps. 13 : 6). “Ik zal Uw naam aan mijn broeders verkondigen, in het midden der gemeente zal ik U lof zingen, Gij, die den Here vreest, looft Hem, verheerlijkt Hem . .. ” (Ps. 22: 23, 24). “Ik wil den Here te allen tijde prijzen, bestendig zij Zijn lofin mijn mond” (Ps. 34: 2). “Dan zàI ik U loven in een grote gemeente, onder een geweldige schare u prijzen” (Ps. 35: 18). “Laten jubelen en zich verheugen, wie mijn rechtvaardiging begeren; dat zij bestendig zeggen: De Here is groot, die welgevallen heeft aan het heil van Zijn knecht. En mijn tong zal van Uw gerechtigheid gewagen, van uw lof den gansen dag” (Ps. 35: 27, 28). Een belangrijke tekst is deze: “ Verlustig u in den Here; dan zal Hij u geven de wensen van uw hart” (Ps. 37: 4). Door het zich verblijden, verlustigen in de Heer, gaan de schatkamers van Hem open en deelt Hij uit uit Zijn volheid wat u begeert, uw hartewensen! Wonderbaar is dat! “In God roemen wij den gansen dag, Uw naam zullen wij loven voor altoos” (ps. 44: 9). “Alle gij volken, klapt in de handen, juicht God toe met jubelroep ” (Ps. 47 : 1). En zo voort, en zo voort, de psalmen staan vol teksten die ons aanmoedigen de Heer te loven en te prijzen. Wie kent niet psalm 103: “Looft den Here, mijn ziel, en al wat in mij is Zijn heiligen naam; looft den Here, mijn ziel, en vergeet niet een van Zijn weldaden; die al uw ongerechtigheden vergeeft, die al uw krankheden geneest, die uw leven verlost van de groeve, die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheid, die uw ziel verzadigt met het goede, zodat uw jeugd zich vernieuwt als die van een arend” (Ps. 103: 1-5). Dit is één lange zin, geen enkele punt staat hier in, alles behoort bij elkaar, het loven doet memoreren wat God voor ons heeft gedaan. Tel uw zegeningen, twee bij twee. Tel de grote en de kleintjes mee. Noem ze allen, tel ze per dozijn, en u staat verwonderd van hoeveel er zijn! Satan haat lofprijzing. Alle demonen haten dit, al werden zij, toen zij nog engelen waren daartoe geschapen door God. Zij vrezen de glorie en de glans die lofprijzing oproept, de overwinning die zij doet ontstaan. De boze machten kunnen zich niet staande houden waar Gods volk de Heer der Heren een lofoffer brengt. Gebed vraagt, lofprijzing néémt de overwinning! Lofprijzing is een positieve kracht die de duivel krachteloos maakt. De duivel weet dat wel en zal altijd pogen te verhinderen dat Gods kinderen hun Heer loven, roemen en prijzen. Hij komt met gegeneerdheid, verlegenheid, schaamte, onbehagen, hij suggereert dat u zal worden uitgelachen. Wij weten van een alcoholist die vreselijk gebonden was, alle pogingen om vrij te komen van de macht die hem bond, faalden. Totdat de familieleden de betekenis zagen van de lofprijzing. Ze probeerden niet meer om hem door praten van zijn gewoonte af te brengen, maar begonnen de Heer te loven en te prijzen, ze hielden dit vol. Na korte tijd kwam de man nuchter thuis van zijn werk. Hij zei dat hij op een vreemde manier, ineens, niet meer de neiging voelde om te drinken, hij liep recht van zijn fabriek naar huis, het kostte hem zelfs geen moeite. Hij heeft nadien nooit meer gedronken. Hij werd vrij toen zijn huisgenoten niet langer hem trachtten te bepraten of berispen, maar de Heer begonnen te loven en prijzen. Een meisje met erge driftbuien, die bijna maniakale vormen konden aannemen, soms vernielde zij in huis alles wat onder handbereik was, veranderde ineens toen haar huisgenoten haar niet langer berispten, maar begonnen waren de Heer te roemen en te prijzen. De duistere macht verliet haar, zij was geheel vrij. Zij werd spoedig met de Heilige Geest vervuld en is een sieraad in de Gemeente. Wij kennen meerdere van deze gevallen, waar boze machten uitgingen door lofprijzing.

Bidden in de Geest     

De duivel vreest geen predikaties, hij vreest geen bidstonden, geen aktiviteiten op elk kerkelijk gebied, hij vreest slechts één ding: het frequente gebruik van de Geestelijke Gaven, het bidden in de Geest, het spreken in tongen, het profeteren in de gemeente, het lofprijzen van de Naam van Jezus, het opleggen der handen, het gebruik van de door de Heer der Kerk gegeven bekwaamheden, het onderscheiden van geesten, het woord van kennis en wijsheid, inzichten door God geopenbaard in de zichtbare wereld, in de strijd tegen de machten in de hemelse gewesten. Door gebrek aan kennis, vrees voor fanatisme, voor overmaat, door kleingeloof, wordt er weinig toegang gezocht naar de spirituele mogelijkheden die God aan de Gemeente geeft. Dit zijn geen menselijke bedenksels, het zijn ordonanties Gods. “Zo dan, mijn broeders, streeft er naar te profeteren, en belemmert het spreken in tongen niet” (I Cor. 14: 39). “Dooft den Geest niet uit, veracht de profetieën niet” (I Thess. 5 : 19, 20).

De laatste gemeente voor de wederkomst van Jezus, zal een profetische gemeente wezen, evenals de eerste die was. De Heilige Geest kreeg de voornaamste plaats, naar Hem werd gevraagd, naar Hem werd geluisterd, naar de aanwijzingen van de Geest des Heren werd gehandeld. De raad van oudsten en keuze van de apostelen werd niet samengesteld naar persoonlijke bekwaamheden, naam of invloed, maar deze mannen werden door de Heilige Geest aangewezen, “En terwijl zij vastten bij den dienst des Heren, zeide de Heilige Geest: Zondert Mij nu Barnabas en Saulus af voor het werk waartoe Ik hen geroepen heb. Toen vastten en baden zij, en legden hun de handen op en lieten hen gaan. Dezen dan, door de Heilige Geest uitgezonden, trokken naar … ” (Hand. 13: 2-4).

De Heilige Geest moet meer worden ingeschakeld om de Gemeente middels de Gaven van de Geest, Zijn onmiskenbare aanwijzingen te geven. Wanneer deze Geest Zijn richtlijnen en bevelen geeft, behoeft men nimmer teleurstellingen te verwachten door miskeuze. Zo is ook het apostolaat slechts vruchtbaar en zinvol, als de Geest Gods directieven geeft, aanwijzingen en Zich betoont in kracht. De Kerk van Christus is geen natuurlijke zaak, maar een bovennatuurlijke en dient ook niet te worden geleid door natuurlijk verstand, of talent, maar door bovennatuurlijke indicaties Gods. De laatste kerk, de supra-normale Kerk, moet afzien van menselijke inmengingen, menselijk bedachte richtlijnen, natuurlijk verstand, maar zich zuiver door de Bruidwerver, de Goddelijke Eliëzer, de Heilige Geest laten leiden, geschikt maken voor de ontmoeting in de lucht met de Goddelijke Izak. De Bruidsgemeente is een bovennatuurlijke Gemeente en is niet gebonden aan namen en richtingen en specialiteiten van mensen, maar de uit alle denominaties uitgereinigde laatste levende Kerk van Christus en gebonden aan haar Heer alleen. Zij zal leven en bewegen door de inspiratie van de Bruidwerver, middels openbaringen en profetieën, dit zijn de bruidsieraden voor de Bruiloft des Lams. Zij zal de gezindheid van de Bruidegom dienen te hebben om Hem recht te kunnen volgen, zij moet dus innig en vertrouwelijk met de Bruidegom communiceren. God wil haar leiding geven en Zijn wegen bekend maken, “Voorzeker, de Here Here doet geen ding of Hij openbaart Zijn raad van Zijn knechten, de profeten. De Here Here heeft gesproken, wie zou niet profeteren?” (Amos 3 : 7, 8).

Waar deze elementaire waarheden worden weggetheoretiseerd en gekritiseerd ontstaat geestelijke malaise, verschraling, verval. Men kan niet eigenmachtig de “leefregels” van Gods Kerk . denigreren. De schuwe duif van de Heilige Geest wiekt dan geruisloos weg en er blijft traditie over, routine. Zo is onduidelijk geworden hoe in geloof de strijd tegen de machten moet worden gestreden, de boze geesten in de hemelse gewesten, met de wapenrusting bekleed. Deze wereld is voor de meesten een totaal onbekende wereld, zoals zij zich manifesteert in al haar gradaties en variaties.

Wij dienen die wereld onbeschroomd binnen te gaan met het Bloed van Jezus bedekt om deze te overweldigen en deze machten te onttronen. De gezagspositie in Jezus Christus moet worden ingenomen en overwinningen behaald op de oprukkende vijand der zielen. Er wordt rondom ons tot mensen gesproken op een horizontaal vlak, een natuurlijke benadering van natuurlijke mensen, maar te weinig gewezen hoe deze strijd tegen de infiltraties van Satan in allerlei vorm uit te vechten, zijn binnendringing in alle territoria van het menselijk bestaan, in alle gebieden, in het bewuste, onbewuste, onderbewuste leven van de geschonden mens. De praktijken van Satan, de afbraak-politiek in het Lichaam van Christus, zijn listen en lagen, moeten worden onderkend en de bestrijdingswijze aangeleerd. Er bestaat ook een geestelijke luchtvervuiling, een duister bederf in de atmosfeer rondom ons en wij dienen met de door de Heer der Kerk gegeven mogelijkheden de arena binnen te gaan met ons geloof en deze machten gebieden uit te varen.

Zij zullen het Lichaam van Christus nergens overmeesterèn. Door deze machten uit te dagen en aan te spreken met autoriteit, als ambassadeurs van het Koninkrijk Gods, door hen onze “geloofsbrieven”, onze volmachten te tonen en als afgezanten Gods de alleen-heerschappij op te eisen voor Jezus. Een van de middelen is dat wij consequent en frequent gebruik maken van het bidden in de Geest, het spreken in tongen. Wij verlammen daarmee in eerste instantie de aktiviteiten van Satan en bouwen ons daarbij op in geloof. Vanuit een veeljarige praktijk waar veel is beleefd in de wereld der boze geesten, kan ik u verzekeren dat ik nimmer iets had kunnen uitrichten zonder dit bidden in de Geest. Dit maakt kracht vrij van het Koninkrijk. Niets vreest Satan meer dan dit spreken in tongen, bidden in de Geest. Daarmee dragen wij munitie aan voor de aanval in het rijk der duisternis.

Weestaan   

“Wederstaat hem, vast in het geloof’ (I Petr. 5 : 9). God kent u en God kent de duivel en zegt: Wedersta! Hij zou dat niet zeggen, indien de duivel “onweerstaanbaar” was. Hij blijkt te kunnen worden weerstaan, tegengehouden. U kunt niet verhinderen dat de vogel over uw hoofd vliegt, maar u kunt wel verhinderen dat hij een nest in uw haren bouwt. De Heer spreekt van het weerstaan van aanvallen. Dat kunnen wij niet met onze natuurlijke mogelijkheden, alleen met de krachtvan de Heilige Geest. Het schild des geloofs is daarvoor nodig! De bedekking met de wapenrusting. De beste verdediging blijft altijd de aanval. Satan heeft ons vaak in het defensief gedrongen, maar toen wij ons bewust werden dat “Hij, die in ons is, meerder (sterker) is dan die (Satan) in de wereld is” (I Joh. 4: 4) zijn wij tot de aanval overgegaan. Meestal komen wij te laat. Wij komen dan op het strijdperk aan als de slag is gestreden, de mensen zijn bezeten geraakt, zij werden bezet gebied, geschonden en beschadigd, wij staan bij rokende ruïnes, want de machten zijn ons vóórgeweest. Waarom komen wij zo dikwijls te laat, wij christenen? Waarom zijn wij de duivel zelden vóórgebleven? Waarom de initiatieven bij de boze en niet bij ons? Waarom zo defensief en niet offensief? Wat wij nodig hebben is een agressieve Gemeente, een voor de boze gevaarlijke Kerk van Christus. Zoals de poorten der hel beefden bij het optreden van de eerste apostelen en christenen, zo moet het weer worden en sterker.

Jezus is Overwinnaar en de duivel is de smadelijke verliezer. Laat hem niet toe u te besluipen, luister niet naar zijn vleiende taal, het “gefluit van de vogelaar”. Onderken zijn praktijken en weersta hem! U kunt dit het beste doen door veel in tongen te spreken. Leer weer zien, “Hoe overweldigend groot Zijn kracht is aan ons, die geloven, naar de werking van de sterkte Zijner macht, die Hij heeft gewrocht in Christus, door Hem uit de doden op te wekken en Hem te zetten aan Zijn rechterhand in de hemelse gewesten, boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en allen naam” (Ef. 1: 19-21). “En Hij heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus” (Ef. 2: 6). De troon is het machtscentrum, waar Christus en ook wij gezeten zijn, waar wij aan de wereldheerschappij deel hebben. Van die positie kunnen wij ook de duivel weerstaan! Zeg niet dat dit een onmogelijke taak is, “Ik vermag alle dingen in Hem, die mij kracht geeft” (Phil. 4: 13).

Gezegende doeken   

“En God deed buitengewone krachten door de handen van Paulus, zodat ook zweetdoeken of gordeldoeken van zijn lichaam aan de zieken gebracht werden en hun kwalen van hen weken en de boze geesten uitvoeren” (Hand. 19: 11, 12).

Er is een middel om genezing en bevrijding te krijgen door aanraking van het kleed van een Godsman. De bloedvloeiende vrouw stak haar hand uit naar Jezus en zei: “Indien ik slechts Zijn klederen kan aanraken, zal ik behouden zijn” (Mark. 5: 28). Zij wilde in geloof Jezus aanraken en als het haar niet lukt Hem persoonlijk aan te raken, dan zal de aanraking van Zijn klederen genoeg zijn. Als Hij het niet is, is iets vàn Hem genoeg, want het is toch Jezus. Iets waarmee Hij in contact is geweest, Zijn kleed, heeft dezelfde genezende kracht. Iedereen weet dat textiel niet genezen kan, maar het was geen textiel voor haar, maar een punt van contact met de Heer “En des te meer werden er toegevoegd, die den Here geloofden, tal van mannen zowel als vrouwen, zo zelfs, dat men de zieken op straat droeg en op bedden en matrassen legde, opdat, wanneer Petrus voorbij kwam, ook maar zijn schaduw op iemand van hen zou vallen. En ook de menigte uit de steden rondom Jeruzalem stroomde toe en bracht zieken en door onreine geesten gekwelden mede. En zij werden allen genezen” (Hand. 5 : 4, 5).

De genade van de Meester komt op de dienaar. Daar is de aanraking met het naadloze kleed van Jezus, met de zweet- en gordeldoeken van Paulus, met de schaduw van Petrus. De genade van het Koninkrijk vindt eigen wegen om het heil bekend te maken. De bloedvloeiende vrouw voelde dat er kracht uitging van het kleed van Jezus, ze genas. Buitengewone kracht ging er uit, zegt de Bijbel, van zweet- en gordeldoeken van Paulus, zieken genazen en boze geesten voeren uit. Bevrijdende kracht ging er uit van de schaduw van Petrus, zodat zieken en door onreine geesten gekwelden werden genezen. Ik herhaal dat deze manifestaties niet alleen gebeurden in een ver verleden, maar ook thans voorkomen. “Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid” (Hebr. 13 : 8).

Ook in onze bediening hebben wij wonderbare ervaringen met “gezegende doeken”, ik wil dat illustreren door een verhaal, dat mevrouw Sakio Ogawa in Omuta op het eiland Kyushu (Japan) ons vertelde. “Veertien jaar geleden begon mijn zoon Satsu aan een minderwaardigheidscomplex te lijden. Toen hij zeventien jaar was begon hij te werken in een visfabriek en bleef daar 5 jaar. Zijn minderwaardigheidsgevoel werd in die tijd intensiever door de kleinerende spot van zijn baas en de plagerijen van zijn maats. Vier jaar geleden werd hij dermate gestoord dat hij zich van de mensen afkeerde en zich opsloot in een donkere kast in ons huis, waar hij niet meer uitlçwam .. Niemand wilde hij meer zien. Alleen ik zag hem eens per dag als ik hem eten bracht en zijn broer soms ook. Hij leefde in deze vier jaar in een donkere kast zonder enig licht of frisse lucht. Elke dag schoof ik zijn pan met rijst en vis binnen de op een kier geopende deur en een emmer en een paar flessen water.

Wat wij ook probeerden en wie wij er ook bij haalden, hoe vaak door allerlei personen tot hem gesproken werd, hij kwam de kast niet uit. Tijdens de campagne van de Hollandse evangelist Hoekendijk in onze stad, op de 16e april, de tweede dag, sprak deze broe- der over de mogelijkheid om voor afwezige zieken en gestoorden iets te doen, de mensen die thuis zieken hadden moesten een doek meenemen, waar hij over zou bidden. Deze doeken moesten thuis op de zieken worden gelegd. De evangelist vertelde dat God dit punt van contact wonderbaar zegenen kon, hij had er vele wonderen door gezien. Ik dacht er over om ook een doek mee te brengen, het soort doek dat ik met de pan met eten elke dag naar de kast bracht. De prediker bad ernstig over deze doek en gaf deze mij toen mee. De volgende morgen gaf ik de doek af met de andere zaken in de kast. ’s Middags werd er op de deur van de kast geklopt door mijn zoon. Dat had hij nog nooit eerder gedaan. Ik snelde er heen en vroeg wat er was. Hij zei: Ik wil uit de kast! Wie is er in huis, ik wil niemand ontmoeten, alleen jou! De moeder was alleen thuis en opende de deur en de man kwam uit de kast kruipen, hij had geen enkele kracht om te staan. Hij zag er vreselijk uit, hij was spierwit van gelaatskleur en had een lange baard en lange haren, zijn ogen knipperden in het licht. Het leek meer een verwaarloosd dier dan een mens, wat schrok ik van hem. Ik hees hem op een stoel en sprak met hem. Hij zei dat hij niet meer in de kast wilde zitten. Ik vertelde hem dat ik ’s avonds naar samenkomsten ging waar een buitenlandse prediker sprak en met zieken bad en nodigde hem uit met mij mee te gaan. Hij wilde eerst niet, maar toen mijn andere zoon thuis kwam, besloot hij tussen ons in, half gedragen, mee te gaan.

Wij hebben hem zo goed en zo kwaad als het ging wat gekleed en zijn haren gekamd. Wij bestelden een taxi die ons naar de zaal bracht, wij zaten geheel achterin. Toen er gezongen werd, vrolijk, met trommels en tamboerijns, werd het Satsu te veel, hij kon al dat geluid niet verdragen, maar we hielden hem vast. Na de samenkomst liep u de zaal binnen en naderde mijn zoon. U kende hem niet en stond voor hem. Toen legde u hem de handen op en gebood dat de machten van Satan hem onmiddellijk zouden verlaten. Dat gebeurde die avond ook, Satsu werd kalm en handelbaar. De volgende dag liet hij zich rustig naar het hospitaal brengen, waar hij werd gereinigd en zijn lichaam weer op sterkte gebracht. De dokters van het Shiranui-hospitaal hadden nog nooit zoiets gezien en verwonderden er zich over dat dit mogelijk was, deze dodelijk schuwe en getourmenteerde geest was geheel normaal en niemand was vriendelijker en meegaander dan Satsu. Niets was meer te bespeuren van zijn afwijkingen. Ik bezocht hem en wist niet wat ik zag, Satsu is vrolijk, lacht en is gezellig, een ander mens. Hij is nu thuis, hij vroeg om te worden gedoopt en gaat naar de kerk. Hij gaat weer werken en “wil trouwen, als alle anderen. Dat heeft Jezus gedaan. Halleluja. Deze onbenaderbaarheid werd doorbroken door de doek waarover gebeden was en zoals in het boek der Handelingen geestelijk gekwelden genas. Pogingen door een verstandelijke theologie om een wetenschappelijke verklaring te zoeken van het bovennatuurlijke handelen Gods, zullen steeds falen, daarmee wordt Gods Woord uitgehold. God gebruikt vele wonderbare wegen die voor velen dwaas lijken, maar effectvofzijn in de praktijk. Zo kunnen doeken tot boodschappers worden van Gods genade, van Zijn opzoekende liefde, tot eer van Zijn Naam. Nooit kan het geloof te veel verwachten!

Bewogenheid        

“Toen Jezus de scharen zag, werd Hij met ontferming over hen bewogen, daar zij voortgejaagd en afgemat waren, als schapen die geen herder hebben” (Matth. 9: 36). “En toen Hij uit het schip ging, zag Hij een grote schare, en Hij werd met ontfe,.. ming over hen bewogen en genas hun zieken” (Matth. 14: 14). “Jezus werd met ontferming bewogen en raakte hun ogen aan, en terstond werden zij ziende en zij volgden Hem” (Matth. 20: 34). “En toen de Here haar zag, werd Hij met ontferming over haar bewogen en Hij zeide tot haar: Ween niet. En naderbij gekomen raakte Hij de baar aan – de dragers stonden stil – en zeide: Jongeling, Ik zeg u, sta op!” (Luk. 7: 13-15).

Wat dreef Jezus? Het was Goddelijke ontferming, bewogenheid van Zijn hart. Tot wie richtte zich deze ontferming? Tot de scharen. Jezus volgde Zijn ontferming en dit bracht Hem bij de scharen. Het resultaat was dat de genezingskracht van deze ontferming de mensen vond en genas. Liefde dreef Jezus, deze leidde Zijn schreden. Hij haatte de zonde, maar had de zondaar lief. Hij was verbolgen in de geest tegen de machten van Satan, maar had de arme bezetene lief, Hij verloste hem. Zonder liefde voor de persoon die wij willen bevrijden, zonder bewogenheid, zijn wij absoluut krachteloos in onze bediening, het zal geen succes hebben. Voorwaarde is dat wij met de liefde Gods worden vervuld, als wij gaan helpen. “En wij hebben de liefde onderkend en geloofd, die God jegens ons heeft. God is liefde, en wie in de liefde blijft, blijft in God en God blijft in hem. Hierin is de liefde bij ons volmaakt geworden, dat wij vrijmoedigheid hebben op den dag des oordeels, want gelijk Hij is, zijn ook wij in de wereld Er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees uit … ” (1 Joh. 4: 16-18).

Gelijk Hij is, gelijk Hij Zich met ontferming neerboog over de aangeslagen mens, zo ook zullen wij met bewogenheid des harten deze tegemoet treden. Satanische machten kunnen dit niet verdragen, zij haten elke liefdedaad. Zij worden er onrustig door, zij kunnen niet tegen deze warmte, zij verzwakken tegenover deze kracht, deze glans, zij voelen zich onbehagelijk. Zij besluiten sneller uit te varen. Laat ik u nog eens een ervaring vertellen, die dit illustreert. Wij werden eens geroepen bij een jonge, bezeten vrouw. Allerlei broeders gingen met mij mee. Ik schrok toen ik in een armelijk bamboehuisje het schepsel zag. De familie had haar in een ruimte opgesloten dat niets menselijks meer had, een halfdonker hol, met getraliede ramen en een hardgestampte aarden grond. Ze sliep zonder mat, op de kale grond, als een dier. Zij hadden haar voeten in een houten blok ingesloten, zodat ze niet weg kon lopen, nog nooit heb ik zo’n wreedheid gezien. De huid van haar enkels waren verwond en open vanwege het voortdurend schuren van de voeten in de gleuf van het blok hout, ’s avonds werden ook haar polsen vastgezet. Ze lag als gekruisigd tegen de aarde, niet in staat zich te bewegen. Wat een onmenselijke foltering.

Van ver hoorden de mensen deze vrouw schreeuwen in de nacht. Maar het dorp wende ‘ zich er aan en lette er niet meer op, boze machten hadden bezit genomen van deze vrouw, zei men en ging over tot de orde van de dag. Men lachte er zelfs om. Ze lag daar nu al jaren op de aarden bodem zonder bedekking, als een beest, een karbouw, of nog minder. Haar persoonlijkheid deed er niet meer toe. We bezochten deze vrouw, in lompen, ongewassen, verwilderd, met grote angstogen lag ze daar. Ik kon dit niet aanzien en gebood haar voeten uit het blok te nemen en die voeten te wassen en te verbinden. De familieleden keken mij verbaasd aan en protesteerden, deze vrouw zou ons aanvliegen en verscheuren, ze was “djahat”, gevaarlijk. Ik eiste dat men mij zou gehoorzamen, anders ging ik weer heen. Enkele jonge broeders maakten de vrouw los. Ze was zo gemarteld, zo grenzeloos verwaarloosd, zo stukgebeukt, zo vreselijk ontredderd, haar mens-zijn zo’n geweld aangedaan, dat een golf van medelijden in mijn hart opwelde. Ik ging naar haar toe, bukte mij en trok haar op in mijn armen. Dat had zij nog nooit meegemaakt, zij drukte zich dicht tegen mij aan en huilde zacht, als een kind met een oud verdriet. Haar vuile haren tegen mijn gezicht, haar hoofd aan mijn borst, was zij geen krankzinnige, geen bezetene, maar een vreselijk eenzaam mensenkind dat met geweld was klein gekregen.

Toen zij zo tegen mij aanlag, bad ik de Heer, smeekte om Zijn erbarmen, dezelfde ontferming die Hij toonde tot de scharen, tot de eenling in nood. Een grote warmte vervulde mijn hart, een oneindige tederheid waarin ik deze vrouw wikkelde, ging door mij heen. Ik legde haar de handen op en bad in tongen, smeekte de Almachtige mij bij te staan wanneer ik haar ontzette. Ik riep de kracht van het Bloed van Jezus aan over haar en gebood alle machten der duisternis die hier waren geconcentreerd in dit hol en zelfs te ruiken waren, deze vrouw onmiddellijk te verlaten en niet meer terug te komen. Zij zal een normaal leven leiden nu weer, als alle andere vrouwen in het dorp, trouwen en een gezin hebben. Met volmacht werden alle vernietigende geesten in deze vrouw geboden haar te verlaten. Ik stelde geen vragen, geen verzoeken, maar commandeerde in de volmacht die ik in Jezus Christus heb. Dank U, Jezus! U hebt haar lief! Ik heb haar evenzo lief! Redt haar uit deze hel, alstublieft! U kwam voor hopeloze gevallen als zij is, juist als zij! Het was een ongewone bediening daar in die kleine bamboehut, aan de rand van het dorp, de begeleidende predikers hadden niet verwacht dat ik op deze wijze dit zieke vrouwtje zou benaderen. Ik denk dat ik hun choqueerde, maar wat doet het er toe. Zij hebben jarenlang van deze zaak geweten en zelf nimmer een hand uitgestoken, alleen uit veilige verte gebeden, misschien. Waarom zou ik het niet zó doen, als de Geest Gods mij ingaf te doen? Waarom zou ik niet, als Jezus deed, dezelfde liefde en tederheid, hetzelfde erbarmen tonen voor de verlorenen, verworpenen, vergetenen, kanslozen als zij?

De dienstknecht is niet meer dan de Meester! Het was Zijn natuur om teder de beschadigde mens op te zoeken en te helen, het leven in hem te helen. Waarom zou ik ook niet hierin de Heer volgen? Nadat ik gebeden had, streek ik een paar maal met mijn hand over haar haren en gezicht, ik streelde haar wangen met alle tederheid die ik op dat moment voor deze mens voelde. De vrouw keek mij lang en met zachte ogen aan, ze wist niet wat liefde was. Ik liet enkele vrouwen van haar familie andere kleren halen en een aarden schaal warm water en gebood hun de vrouw te wassen, haar haren te kammen en haar te verzorgen. Ik verbood hun haar nog één keer in het houten blok te sluiten. De vrouw was genezen en normaal. Later hoorde ik dat ze als alle vrouwen in haar dorp leefde. Geprezen zij de Heer!

Avondmaal    

Deze mogelijkheid heb ik voor het laatst bewaard. Als alle andere pogingen faalden zal dit nimmer falen; het Avondmaal. U dient dat te vieren met anderen, of met een andere, in de kerk of thuis, privé, in dit speciale geval, waarmee u geheel één bent, ik schreef hier al eerder over. Niet zomaar met een binnenkomende broeder,maar met een gekozen, uitverkoren persoon. Bij voorkeur uw voorganger, uw oudste, als die er niet is, uw partner. Bereid u zich hiervoor toe. Niet uit traditie.

Wordt nimmer een gewoonte-eter en een gewoonte-drinker van het Avondmaal, maar blijf dit zien als een sacrum van de Gemeente. Het Avondmaal is niet twee, brood en beker, maar drie: Woord, brood en beker. Omdat God Drie-in-Eén is en Eén-inDrie, is het sacrum van het Avondmaal ook drie. Leg uw Bijbel tussen het brood en de beker, in het midden, want dat Woord Gods geeft waarde aan het brood en de beker, wijst daarop en heiligt deze. Het grote drama van Golgotha herinnert de duivel zich nog goed en het vieren van het Avondmaal is hem er weer op wijzen dat de Slangenvertreder-Jezus de kop van de slang vermorzelde. Daar heeft Bloed gevloeid aan het ruwhouten kruis en dat was de prijs die de Zoon van God, die Zoon van mensen werd, betaalde voor de zonde der wereld, de schuld, de ziekte, de vrees, de dood. Daar is de bij de angel uitgerukt.

Daar is een VOLKOMEN VERLOSSING teweeg gebracht voor een verloren mensheid, daar zijn de gevangenissen opengezet zodat de door de duivel gebondenen kunnen worden vrijgelaten. Dit lijden en sterven van Jezus Christus is ingrijpend in de geschiedenis der mensheid, maar vooral ook in de existentie van Satan. Dat weet hij! Wat we hebben te doen is hem die daad, die weldaad Gods, vóórhouden ! De komst van Jezus, Zijn openbaring in het vlees, had twee doelen, twee hoofdzaken, ten eerste de vergeving van zonden en ten tweede: de vernietiging van de duivel. “En gij weet, dat Hij geopenbaard is, opdat Hij de zonden zou wegnemen . .. ” (I Joh. 3: 5). Drie verzen verder lezen wij het tweede doel van Jezus’ komst: “Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou” (I Joh. 3: 8b). Jezus kwam om het zonde-probleem op te lossen, het ziekteprobleem, het probleem van de vrees en die van de dood, maar ook het probleem van de oppermacht van de duivel. Toen Hij dat in Zijn lichaam had opgenomen en de dood inging, riep Hij: Het is volbracht! Mijn missie is volbracht! Waartoe Ik gezonden werd van -de Vader is nu in deze daad volbracht! Hij zei niet: Ik heb volbracht! Hij zei: Het is volbracht! Waartoe Ik werd gezonden. “Alzo zal Mijn woord, dat uit Mijn mond uitgaan; het zal niet ledig tot Mij wederkeren, maar het zal doen wat Mij behaagt en dat volbrengen (“het is volbracht”), waartoe Ik het zend” (Jes. 55: 11). Wat uiterlijk een fiasco leek, een kruis voor een kroon, blijkt tenslotte de grootste triomf te zijn, de vijand werd daar verslagen. Dat in het Avondmaal hem voor te houden maakt Satan krachteloos. Van alle manieren om hem te verslaan is het Avondmaal de krachtigste. Halleluja!

SLOT    

De wapenrusting Gods is een volmaakte wapenrusting “om weerstand te kunnen bieden in den bozen dag” (Ef. 6: 13). Deze boze dag is niet een dag in de verre toekomst, deze dag is nu, vandaag, “maar dit is uw ure en de macht der duisternis” (Luk. 22: 53), het is de dag van de antichrist, “en dit is de geest van den antichrist, waarvan gij gehoord hebt, dat hij komen zal, en hij is nu reeds in de wereld” (Joh. 4: 3), de dag van de heerschappij der overheden, machten, krachten, wereldbeheersers der duisternis, de boze geesten in de lucht. De tegenstand is groot, de strijd is fel en wordt met de dag heviger, de gevaren zijn ontelbaar, maar wij hebben van God een middel gekregen, om te kunnen standhouden, in de wapenrusting Gods, met de afweer- en aanvalswapenen. Paulus zegt: “Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad” (Rom. 8: 37). De Heer staat met Zijn liefde naast ons. “Ons staat een sterke Held terzij”, en met Hem, door Hem, zijn wij meer dan overwinnaars. Wij willen de Satan niet zien en hem vrezen als een verpletterende overmacht, wij willen zien op wie wij zijn in Jezus Christus, wij willen zien op Hem en naar de legerscharen die aan onze zijde staan. In het 2e boek der Koningen staat een prachtig voorbeeld, het is een schaduwbeeld van de geestelijke strijd. “Al wat namelijk te voren geschreven is, werd tot ons onderricht geschreven, opdat wij in den weg der volharding en van de vertroosting der Schriften de hoop zouden vasthouden” (Rom. 15: 4). “Deze gebeurtenissen zijn ons ten voorbeeld geschied” (I Cor. 10 : 6). “Toen de dienaar van den man Gods des morgens vroeg opstond en naar buiten trad, zie, een leger omringde de stad, zowel paarden als wagens. En zijn knecht zeide tot hem: Ach mijn heer! Wat moeten wij doen? Maar hij zeide: Vrees niet, want zij, die bij ons zijn, zijn talrijker dan zij, die bij hen zijn” (11 Kon. 6 : 15, 16). Niet alleen zijn “zij, die bij ons zijn”, Gods legioenen, numeriek sterker, maar zij zijn ook potentieel sterker, zij zijn betere soldaten, Bovendien is daar hun Heer, Jezus, de Sterkere, de Meerdere, “aan Wien gegeven is alle macht in hemel en op aarde”, Hij regeert deze legerscharen, Hij is bij hen, bij ons. Zij strijden met ons mede, zij staan ter onzer beschikking. Jezus zegt: “Of meent gij, dat Ik mijn Vader niet kan aanroepen en Hij zal mij terstond meer dan twaalf legioen engelen ter zijde stellen?” (Matth. 26: 53). De dienstknecht zag alleen wat voor ogen was, leefde alleen uit het zintuigelijke zien, zag slechts de moeilijke en gevaarlijke omstandigheden, maar hij moet leren geestelijk te zien, vanuithet Woord, de belofte, vanuit God, door de Heilige Geest. “Toen bad Elisa: Heer, open toch zijn ogen, opdat hij zie” (11 Kon. 6: 17).

Heel dit boek werd rondom dit gebed van Elisa geschreven, om dit: “Heer, open toch de ogen, opdat zij zien “. Heer, geef aan ieder de “ogenzalf om uw oogleden te bestrijken, opdat gij zien moogt” (Openb. 3: 18). Alleen de Heilige Geest kan onze ogen ziende maken, ons genezen van Woord-blindheid. En de Heer verhoorde Elisa’s gebed, zoals Hij elk gelovig gebed verhoort. “En de Heer opende de ogen van den knecht en hij zag en zie, de berg was vol vurige paarden en wagens rondom Elisa” (11 Kon. 6: 17). Een gans leger, onze hemelse geallieerden, zij staan met ons in dezelfde strijd tegen dezelfde vijand. En deze legerscharen stonden “rondom Elisa”, dat wil zeggen: rondom het Woord Gods, rondom de profetie, het “zo zegt de Heer der heerscharen”, het “er staat geschreven”, het Koninkrijk van Jezus Christus. Zij staan daar paraat en beschermend om ons gelegerd en voeren ons ter overwinning.

Een vaste burcht is onze God,
Een toevlucht voor de Zijnen!
Al drukt het leed, al dreigt het lot,
Hij doet Zijn hulp verschijnen!
De vijand rukt vast aan
Met opgestoken vaan;
Hij draagt zijn rusting nog
Van gruwel en bedrog,

Maar zal als kaf verdwijnen!
Geen aardse macht begeren wij;
Die gaat alras verloren!
Ons staat de sterke Held terzij
Die God ons heeft verkoren.
Vraagt gij Zijn Naam, zo weet,
Dat Hij de Christus heet,
Gods Eengeboren Zoon.
Verwinnaar op den troon.
De zege is ons beschoren!
Kind’ren des Konings, waarom zoudt gij slapen?
Hoe kunt gij sluim’ren, de hemel zo na?
Staat op uw wacht en trekt aan uwe rusting,
Haast u, want Jezus, uw Meester, komt dra!

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: